Astronaut op De Kaap

Astronaut op De Kaap #RotterdamSchrijft

Astronaut op De Kaap

'Mannen die op de maan lopen,' zegt mijn moeder. 'Dat kan toch niet. En het is wazig.'

Mijn vader rommelt aan de antenne. De sprieten buigen heen en weer en vormen een scheve letter v. 'Je ziet het toch,' zegt hij. 'Het zijn echte beelden. Beter zo?'

Ze knikt. 'Maar het blijft onzin. Ze kunnen tegenwoordig alles in zo'n moderne studio.'

Mijn vader gaat weer zitten, de rookstoel kraakt. Hij tikt zijn Caballero een paar keer op de leuning en strijkt een lucifer af. Mijn moeder pakt haar breiwerk. De pennen tikken tegen elkaar, snel en ritmisch. 'Ik geloof er niets van.'

Mijn vader blaast de lucifer uit en inhaleert alsof het zijn laatste sigaret is. 'Ach, mens toch.'

Het beeld is iets scherper, maar ik ben het met mijn moeder eens. Twee astronauten dansen over het oppervlak en een maanwagen hobbelt traag over brokken steen. Het ziet er onecht uit.

Vanuit mijn kamertje gluur ik naar de overkant. De moeder van Kees leunt met een opgetrokken been naast de open voordeur. Ze draagt het haar opgestoken, als een torentje op haar hoofd. Langzaam beweegt ze twee gestrekte vingers naar haar mond. De rook trekt weg in smalle slierten. Ze zegt iets tegen haar buurvrouw. Beide vrouwen lachen. Een groepje Amerikaanse matrozen slentert voorbij. De moeder van Kees doet een stap naar voren. Eén van de matrozen blijft staan, hij maakt een gebaar. De andere matrozen beginnen te lachen. Ze kijkt opzij en blaast de rook uit alsof ze een kus geeft. De buurvrouw lacht hoog en de matroos salueert. Zijn maten pakken hem bij zijn arm, ze lopen door. De moeder van Kees kijkt omhoog, ze zwaait naar me. Ik laat het gordijn vallen en ga op bed liggen. Met mijn ogen dicht aai ik mijn gulp en denk aan het roken van de moeder van Kees. Aan haar soepele hand en aan de beweging van haar mond.


'Ik vind het maar niks,' zegt mijn vader. 'Waarom moeten die jongens vier jaar naar school voor ze gaan werken? Wat was er mis met de ambachtsschool?'

De vingers van mijn moeder gaan snel over het gladde kaftpapier. De stapel glimmende boeken wordt steeds hoger. Ik zucht. Gelukkig gaat Kees ook naar de technische school. We hebben al afgesproken.

'Ga toch eens met de tijd mee, vader,' zegt mijn moeder.

'Je hebt zelf huishoudschool gedaan.'

'Ja, dat was toen.' Ze legt haar handen gevouwen op het laatste gekafte boek. 'Ik heb de brochure van de school goed gelezen. Onze jongen kan misschien de T-stroom doen en daarna de middelbare technische school.'

'Ach, mens. Belachelijk. Wat eten we?'

Dat ze over mij praten alsof ik er niet bij ben, vind ik vervelend. Voorzichtig trek ik het wiskundeboek uit de stapel. Het is het dikste boek.


Ik schuif het gordijn opzij en ga op mijn knieën zitten. De moeder van Kees loopt op een drafje naar de melkboer. De houten hakken van haar slippers klepperen. Ze heeft een rekje met lege flessen bij zich. De melkboer vult het rekje met nieuwe flessen. Twee rode doppen, karnemelk, vies vind ik dat. Eén met een blauwe dop en één met een groene. Yoghurt, weet ik. Ze steekt een sigaret op en zegt iets tegen de melkboer. Hij kijkt omlaag, veegt met zijn schoen over de straat en geeft haar het rekje aan. Ze neemt de sigaret in haar mond en tikt hem op zijn schouder.


Het wiskundeboek begint met een uitleg over het assenstelsel en coördinaten. De eerste opdracht heb ik al gemaakt. Het was niet moeilijk. Alsof ik zeeslag speelde met Kees. Alleen heb ik nu een schrift met grotere vakjes. En een echt vulpotlood. Papa vond het niet nodig, maar ik ben met mama naar de V&D geweest in het centrum. Ik heb ook een passer gekregen in een doosje met extra onderdelen, een zachte gum en een houten liniaal van dertig centimeter met grote strepen voor de centimeters en kleintjes voor de millimeters.


'Oewa!' roept Kees. Hij staat in de straat met zijn fiets tussen zijn benen. Nog één keer controleer ik de boeken in mijn tas.

'Succes, jongen,' zegt mijn moeder. Ze wil me een kus geven, maar ik weet haar te ontwijken. Ik bind de tas onder de snelbinders en zwaai naar mijn moeder.

'Schiet nou op man,' zegt Kees. 'Straks komen we te laat.


In de pauze eten we onze boterhammen. We hebben allebei een oranje trommeltje van Tupperware. Mijn moeder heeft het gekocht op een avond bij de buurvrouw van Kees. Ze noemde het een 'kostelijke' avond. Dat vind ik een gek woord.

'Heeft je moeder die trommel ook bij jullie buurvrouw gekocht?' vraag ik.

'Ja, ze zijn vriendinnen,' zegt hij met volle mond.

Een groepje jongens komt op ons af.

'Waar komen jullie vandaan?' vraagt de langste.

'Van de Kaap,' zegt Kees. Ik knik.

'Zo, Katendrecht bedoel je,' zegt de lange. 'Dan is je moeder zeker een kaaislet.' Hij lacht en kijkt opzij. De andere jongens lachen ook.

Ik ga naast Kees staan met een vuist in mijn zij. Hij haalt zijn schouders op en drukt het deksel op zijn trommel.

'Mijn moeder bakt flensjes, jongen! Daar lik je je vingers bij af.'

'Ja ja, dat zal wel,' zegt de lange.

'Gatver, ze zijn van Zuid,' zegt een andere jongen. 'Kom, laat die boeren het zelf uitzoeken.'

Het groepje loopt weg, één van hen spuugt voor ons op de grond. Ik kijk naar Kees. Hij geeft me een stomp en lacht.

'Zo, die zijn echt lijp.'


De invuloefening voor Nederlands begrijp ik niet.

'Sorry, jongen,' zegt mijn moeder. 'Daar kan ik je niet bij helpen. Vraag het aan Rooie Riet.'

'De moeder van Kees, hoezo?'

'Ze is vroeger een jaar juffrouw geweest, voor de zesde klas.'

'Ja? Wanneer dan?'

'In 1960 of zo, dat weet ik niet meer.' Ze vouwt theedoeken op en legt ze op een stapel. Haar kleine handen bewegen snel. In haar wijsvingers zitten bruine kloofjes.

'O,' zeg ik. 'Toen was ik drie.' Ik sla het boek dicht en trommel op de kaft.


'Kees is visvoer kopen,' zegt ze.

Ik adem diep in en uit. 'Ik kom niet voor Kees.'

'Nee? Toch niet voor mij dan?'

'Jawel mevrouw.'

'Och, lieve jongen. Je kijkt graag naar me, hè. Zeg toch gewoon Riet.'

'Ja, mevrouw.' Ze lacht en stapt naar achteren. 'Wat voor boek heb je daar?'


'Dus, grote jongen is met één o en één t; en de grootte van de maan is met dubbele letters. Snap je het nu?'

Ik knik. 'Ja, mevrouw... Riet.'

Ze tikt met de nagel van haar wijsvinger tegen mijn wang. 'Mooi, even wat anders. Je bent goede maatjes met mijn Kees, hè?'

'Ja, mevrouw.'

Ze lacht kort. 'Gewoon Riet, dat is toch niet moeilijk?'

'Nee, sorry... Riet.'

Ze legt een hand op mijn schouder en houdt haar hoofd schuin. Haar oorringen schommelen. De vloer kantelt. 'Kees vindt wiskunde erg moeilijk. Wil je hem helpen?Want, lieve jongen, je moet altijd goede maatjes met iemand zijn. Dat is heel belangrijk. Beloof je dat?'

Ik wil het haar beloven, maar ik heb geen lucht om iets te zeggen en knik.

'Mooi,' zegt ze. Met de knokkels van haar andere hand wrijft ze over mijn gezicht en ze legt haar vingers even op mijn mond. Haar nagels drukken tegen mijn neus, ze zijn lang en rood. En het lijkt wel of ze haar wimpers met een viltstift extra zwart heeft gemaakt. Mijn broek wordt nat, maar het is geen plas. Ik weet het niet. Ben even weg. Een astronaut op de maan, die danst, zweeft. Alsof ik niets weeg.

Ik spring van mijn fiets en laat hem uitrijden. Het voorwiel zwabbert even, slaat dan tegen een bolder. Het maakt me niet uit. In mijn hoofd klapt een vuurpijl open, alsof het Koninginnedag is. Een paraplu van gekleurd vuur spettert boven de Maas. Ik knoop mijn gulp open en wurm mijn warme piemel uit mijn onderbroek. In een hoge boog water ik in de Maashaven. Het klettert als dikke regen. Met de palm van mijn andere hand sla ik op mijn open mond en schreeuw het uit. 'Oewa! Oe, oe, oewa!'