Underdog

Paper Heart - Verhalenbundel

Underdog

Mijn vuist raakt de stootzak met een doffe klap. Ik trek mijn arm terug en haal nog een keer uit, en nog een keer. Rechts, rechts. Links. Weer rechts. Links. Links. Rechts. Links. Geen vast stramien. Maar wel een ritme, een ritme dat in mijn hoofd altijd hetzelfde klinkt, als twee woorden die zich telkens herhalen.

Een mantra.

Ik sta in de garage en beweeg om de stootzak heen, die met een ketting aan het plafond hangt. De afgelopen jaren heb ik hier heel wat uren doorgebracht. Maar als ik alleen ben, ben ik niet meer in de garage. Dan ben ik in mijn eigen wereld, een wereld waarin ik me de ene keer sterk voel en de andere keer juist bang. Bang, dat ik nog steeds zo zwak ben als vroeger.

Te zwak om me te verdedigen.

Tegen de wereld.

Tegen anderen.

Adrenaline raast door me heen. Ik haal fel uit met mijn linker vuist en de stootzak zwaait wild heen en weer. Ik adem zwaar, houd mijn armen omhoog voor dekking tegen een onzichtbare vijand. In mijn hoofd is mijn vijand echter allesbehalve onzichtbaar. Ik zie de gezichten weer. Hoor de spottende stemmen. Voel hun trekkende en duwende handen. Hun gelach galmt door mijn hoofd.

Het duurt niet lang voor de gezichten vervormen. Ogen zinken dieper weg, tot er gapende gaten overblijven. Tanden groeien uit tot slagtanden, of krimpen juist tot gebitten van scherpe naalden. Dan veranderen de handen in klauwen, ruggen raken gebocheld, botten steken door kleding heen.

Ik sla en sla en sla, ik vecht tegen de demonen. Ik schop en schop en schop. Geen vast stramien. Maar wel een ritme. Twee woorden die zich telkens herhalen in mijn hoofd:

Nooit meer. Nooit meer. Nooit meer.

Nooit meer laat ik de demonen nog toe. Nooit meer zal ik hun slachtoffer zijn.

Hijgend laat ik mijn armen zakken, starend naar de stootzak die loom heen en weer zwaait. De ketting rinkelt.

Dit is de vloek van alle underdogs. Je vecht je een weg omhoog, naar de oppervlakte, naar het licht, en dan verder naar boven toe, hoger en hoger, totdat je boven alles en iedereen uitstijgt, en de demonen onder je krioelen, ver weg, als mieren die je niet meer kunnen raken. En de rest van je leven vecht je om daar te blijven.

Maar iedere dag ligt de angst op de loer. De angst om weer te worden wie je geweest bent.

De angst om weer naar beneden gesleurd te worden, overgeleverd aan de genade van demonen die elk beetje hoop en kracht van je afpakken, alsof ze een kaars uitblazen.

Een spiertje in mijn kaak verstrakt en ik staar even naar de opgezette aderen op mijn armen. Ik kijk weer op, haal diep adem, en deel dan nog twee laatste klappen uit.

Rechter vuist. Nooit. Linker vuist. Meer.

 

© 2018 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

Wonderlijk