Verscheurd

Paper Heart - Verhalenbundel

Verscheurd

Dromen kunnen verscheurd raken.

Daar weet ik alles van.

De duisternis is ondoordringbaar. Ik lig in de schaduwen, opgekruld en met mijn wang tegen de grond gedrukt. Ik heb geen idee hoe lang ik hier al ben. Dagen. Weken. Maanden. Jaren. Alles is mogelijk.

Wat ik wel weet, is waarom ik hier ben.

Dit is de plek voor mensen met verscheurde dromen. Dromen, zo kwetsbaar als een stuk papier, bruut uiteen gerukt door handen die er niets om geven hoe waardevol een droom voor iemand is. Handen, die niet lijken te begrijpen dat een droom als de grond onder je voeten is, een pad om te volgen. En waar moet je heen zonder een pad?

Zonder een pad is er niets anders dan duisternis.

Er klinkt zacht gekraak als ik mijn hand tot een strakkere vuist bal. Het gekraak van papier.

Ik open mijn ogen en breng mijn hand naar mijn gezicht toe. Een zachte gloed straalt tussen mijn vingers vandaan. Langzaam open ik mijn hand. Ik staar naar het verfrommelde stuk papier op mijn handpalm, dat een zwak licht uitstraalt.

Mijn droom.

Voor iedereen ziet zijn of haar droom er anders uit. Maar voor iedereen geldt hetzelfde: een droom geeft licht. En dat licht wijst je de weg. Dat licht is het pad dat je moet volgen. Het pad dat je weghoudt van de duisternis.

Tranen prikken in mijn ogen en ik klem mijn kiezen op elkaar. Ik blijf naar mijn droom staren, verscheurd en verkreukeld in mijn hand. Ik wil hier niet meer zijn. Ik haat de schaduwen. En ik haat het dat iemand anders mijn droom van me afgepakt heeft en doormidden heeft gescheurd.

Ik wil hier weg. Ik wil mijn droom terug.

Ik knipper de tranen weg en druk me overeind, terwijl ik mijn vingers weer om het stuk papier heen sluit. Ik sta wankel op mijn benen, gedesoriënteerd door de duisternis. Het is stil hier, zelfs mijn eigen ademhaling lijkt verzwolgen te worden. Het enige wat ik hoor is mijn hartslag. Zachtjes. Regelmatig. Sneller, steeds sneller, naarmate mijn vastberadenheid toeneemt.

Na een aarzeling steek ik mijn hand voor me uit, nog steeds samengebald tot een vuist, en ik knijp mijn ogen samen als er heldere lichtstralen tussen mijn vingers vandaan komen. Ik zie schitteringen van licht op de grond en ik frons. Het lijkt wel water. Ik kijk naar beneden en in het licht kan ik mijn eigen reflectie in het water zien. Net als ik heeft mijn spiegelbeeld haar hand tot een vuist gebald… maar dan vouwt ze hem open. Op haar handpalm ligt een stuk verfrommeld papier dat een gloed uitstraalt.

Terwijl ik mijn hand nog altijd stevig tot een vuist gebald houd.

Mijn spiegelbeeld glimlacht naar me. Het is geen vriendelijke lach. Ze gebaart met het papier in haar hand. ‘Wil je deze?’

Ik staar haar alleen maar aan. Sprakeloos.

‘Je wil je droom terug, nietwaar?’ Ze heft haar kin op. ‘Hier is de andere helft. Kom maar halen.’

‘Waar heb je het over?’ breng ik uit. ‘Wie ben je?’

‘Ik dacht dat je jezelf toch wel zou herkennen.’

Ik knipper met mijn ogen en doe een kleine stap naar achteren. Mijn spiegelbeeld, echter, blijft staan waar ze is. ‘Ik begrijp het niet,’ zeg ik schor.

‘Wie heeft je droom van je afgepakt? Wiens schuld is het dat je hier bent?’ vraagt mijn spiegelbeeld.

Een brok rijst op in mijn keel en ik slik moeizaam. ‘Iemand anders heeft me mijn droom afgenomen,’ begin ik, ‘iemand anders heeft mijn droom verscheurd-’

‘Hoor je wel wat je zegt?’ kapt ze me af op harde toon en ik zwijg abrupt. ‘Er is maar één persoon in de hele wereld die je droom kan verscheuren – en dat ben jij.’

‘Wat-’

‘Ja, je kan andere mensen de schuld blijven geven. Maar de enige schuldige hier ben jijzelf en pas wanneer je dat beseft kan je hier weg,’ gaat ze verder en ze trekt minachtend een wenkbrauw op. ‘Anderen kunnen je ondermijnen. Anderen kunnen je droom tegenwerken. Maar de enige die jouw droom daadwerkelijk kan vernietigen…’

‘Dat ben ik. Ja, dat zei je daarnet ook al,’ snauw ik. ‘Waar heb je het over? Waarom zou ik mijn eigen droom verscheuren?’

‘Waarom heb je je droom dan opgegeven?’ kaatst ze terug. ‘Je kreeg een klein beetje tegengas-’

‘Het was niet maar een “klein beetje”-’

‘Je kreeg een klein beetje tegengas,’ herhaalt ze met luidere stem, ‘en je gaf al op. Jij stond het toe dat je droom verscheurd raakte, omdat je gewoon bang was. Iemand anders heeft al je onzekerheden en angsten naar boven gehaald, en jij hebt je er gelijk bij neergelegd. Een droom is iets waar je voor moet vechten. Een droom is een kwetsbaar iets en dat moet je verdedigen. Je moet het beschermen tegen de klappen die gegarandeerd zullen vallen.’

Ze laat een stilte vallen, waarin ik haar alleen maar ademloos aan kan staren.

‘Als je dat niet kan,’ vervolgt ze zachtjes en het is alsof ik haar – mijn – stem rechtstreeks in mijn oren hoor fluisteren, ‘dan ben jij je droom niet waard.’

Ben ik mijn droom niet waard?

Heeft ze – heb ik – gelijk… en heb ik mijn eigen droom verscheurd?

Waarom zou ik me immers tegen laten houden door iemand anders? De enige die mijn droom uit kan laten komen, dat ben ik. De enige die daarvoor kan vechten, dat ben ik. De enige die een plek op kan eisen voor mijn droom, dat ben ik. De enige die de gescheurde helften weer bij elkaar kan brengen…

Dat ben ik.

Ik kijk mijn spiegelbeeld recht aan. ‘Geef mijn droom terug,’ zeg ik zacht.

Ze grijnst uitdagend. ‘Weet je het zeker? Want volgens mij ben je niet sterk genoeg om je droom uit te laten komen. Waarom geef je niet gewoon op? Dat heb je ten slotte al gedaan…’

‘Houd je mond,’ sis ik.

‘Andere mensen hebben het al tegen je gezegd. Je bent niet goed genoeg. Niet getalenteerd genoeg voor deze droom.’

‘Hou op-’

‘Je gaat toch falen,’ lacht ze.

‘Dat weet ik pas als ik het probeer.’

‘Je hebt het al eens geprobeerd.’ Ze brengt haar hand met het papier omhoog. ‘En je hebt gefaald.’

‘Dan probeer ik het nog een keer,’ bijt ik haar toe-

‘Misschien faal je dan wel opnieuw…’

‘En ik blijf het proberen totdat mijn droom uitkomt!’ schreeuw ik – en ik trap met mijn voet in het water.

Mijn reflectie spat uiteen. Tientallen fragmenten schieten de schaduwen in, alle richtingen op, zo snel dat ik niet bij kan houden waar ze allemaal naartoe gaan. Hijgend staar ik naar het water dat langzaam weer kalmeert. Mijn hart bonkt in mijn keel.

Het enige wat van mijn reflectie over is gebleven, is het opgloeiende papier, drijvend op het water.

De andere helft van mijn droom.

Ik buk me en pak het op. Met ingehouden adem breng ik de twee verscheurde helften naar elkaar toe.

Ze passen precies in elkaar.

Het licht, dat eerst nog een zwakke gloed was, wordt oogverblindend.

Het papier verpulvert in mijn handen en ik breng een arm naar mijn gezicht toe om mijn ogen af te schermen tegen het licht. De duisternis wordt verdreven, wind buldert langs me heen, trekkend aan mijn haren en kleding.

Dan, net wanneer ik denk dat ik omver geblazen zal worden, gaat de wind liggen.

Het licht neemt iets af. Ik wacht even voordat ik mijn arm laat zakken. Ik voel zonlicht op mijn huid branden. Een zachte zucht ontsnapt uit mijn longen – maar mijn adem stokt als ik het zie:

Een pad, dat zich uitstrekt aan mijn voeten.

Mijn droom.

Ik kan niet zien waar het pad eindigt. Ik weet niet eens waar het me heen zal brengen. Er zullen tientallen afslagen zijn, misschien nog wel meer obstakels. Maar niemand, zelfs ik niet, kan mijn droom nog verscheuren.

Want ik zal nooit opgeven. Nooit meer.

Ik haal diep adem. En doe een stap naar voren toe.

 

© 2017 Lynnette Robin Slijkhuis | lynnrobin.com

Underdog