That's Life

That's Life #RotterdamSchrijft Ambassadeursverhaal

That's Life

Julie van Mol

Er staan meer doden dan levenden in, dacht Leen, en deed het fotoalbum dicht. Zijn blik gleed naar de ingelijste zwart-witfoto van zijn vrouw op het bijzettafeltje. Hij had die 62 jaar geleden met zijn Agfa Clack camera gemaakt, hun levens waren toen zo’n drie maanden samengevloeid. Ze stond sierlijk voor de noodbioscoop LuTusCa aan het Kruisplein, in een mouwloos, zwart gestipt jurkje dat haar ranke figuur accentueerde. Een verlegen glimlach, half geloken ogen, haar schoonheid had ze zelf nog niet ontdekt.

   ‘Ik mis je zo, Mayke,’ zei hij zachtjes.

   Zijn ogen werden waterig. Leen drukte zijn nagels hard in de palmen van zijn handen. Venijnig prikten ze, aan de oppervlakte begon zijn huid te branden. Hij maakte vuisten en duwde zijn knokkels tegen de leuningen van zijn stoel. De steken trokken de diepte in, breidden zich uit als een brandje op de hei. De enige sporen van verdriet waren nu acht diepe streepjes tussen lijnen en rimpels.  

   Leen strekte zijn vingers uit, ze voelden verkrampt aan. Hij keek naar buiten. In de lucht was het fletse grijs van die ochtend overgegaan in blauwgrijs, de zon scheen flauw. Bij de tramhalte, tussen groepjes wachtenden, kuste een man een vrouw liefdevol op haar voorhoofd. Op het bruggetje slenterden twee slungelige puberjongens. In de singel hadden de ganzen, meerkoeten en zwanen het gezellig met elkaar, ze vormden een drijvend eiland.  

   Ik ben een toeschouwer geworden, dacht hij. Ik doe weer mee als ik onze Hans spreek. Of Gerda, de klein- of achterkleinkinderen. Dan leef ik op. Verder is er niemand meer van dichtbij die Mayke en mij kent zoals wij samen waren, of hoe ik toen was. Met vreemden ouwehoeren of heuse gesprekken voeren, het lijkt alsof ik dat heb verleerd toen Mayke heenging. Dat verloopt stroef. En ik was verdikkeme vlot, het maakte niet uit met wie ik van doen had. Met mijn autorijschool hier in Noord gaf ik daarmee Van Drunen in West en Blad op Zuid het nakijken. En moet je me nou eens zien, ik bakte er gisteren niks van bij die bingo. Gerda dacht dat ik er goed aan deed om te gaan. Maar de nummers werden me te snel afgeroepen. Met de ziektes en pijntjes die over de tafel vlogen wist ik me geen raad. Ik zat er nog sneuer bij dan tijdens die koffiemiddag voor senioren, die me leuk leek toen ik erover las in De Havenloods.

   Leen zuchtte geërgerd en legde het fotoalbum harder dan gewild op het bijzettafeltje. Hoe nu verder? vroeg hij zich af. Daarna pakte hij de leuningen vast en stond op. In zijn hoofd zei Mayke: ‘Sjat, gaank noar boe veer gelökkeg waore.’ 

   Hij slofte naar de keuken en poogde zich te herinneren of ze dit eens had gezegd. Ze zei met haar accent, dat maar niet wilde slijten, soms zo veel dat hij niet alle details meekreeg. En dat hoefde ook niet. Later vertelde ze het nog eens, tot drie of vier keer toe – zoals menig vrouw. Sprak ze Maastrichts, dan was ze in al haar vezels boos, ongerust, verdrietig, of bevangen door liefde. Korte en krachtige zinnen, woordjes. Het kloppen van haar hart dreunde daarin door.  

   Wat ik Mayke hoorde zeggen heb ik zelf bedacht, foeterde Leen inwendig, terwijl hij een glas onder de lopende kraan hield. Wel zei ze na elke rouwkaart in de brievenbus: ‘Sjat, es iech d’r neet mie bin, gaank onder de lui.’

Zo’n driekwartier later reisde Leen met tram 4. Van de drukte ondervond hij geen hinder, een knul was voor hem opgestaan. Naast hem zat een jonge vrouw, ze was ongeveer zo oud als zijn jongste kleindochter, een nakomertje. Toen hij plaatsnam, had ze naar hem geknikt. In haar roodomrande ogen vriendelijkheid, een doorweekte, verfrommelde tissue in haar hand. Gevangen in zichzelf staarde ze door het raam. Een snik  kroop uit haar keel.

   Ik wil iets liefs tegen haar zeggen, dacht Leen.

  De tram stopte, meer mensen stapten in dan uit, achterin was het net een kippenhok. De jonge vrouw bleef roerloos zitten. Leen meende dat ze naar de bogen van het Hofpleinviaduct keek. Hij vond de winkeltjes en barretjes in de ruimtes onder de niet meer gebruikte oude spoorlijn alleraardigst, van de jarenlange troosteloze leegstand en verloedering was niets meer te zien. De tram reed weer, de zon piepte in de inmiddels blauwe lucht krachtig naar binnen. De jonge vrouw draaide haar hoofd om en keek met doffe en samengeknepen ogen in die van Leen, die ze – het licht trotserend – zo wijd mogelijk openhield.

   ‘Had jij vanochtend kunnen bedenken dat het zulk mooi weer werd?’ begon hij, en frunnikte aan de kraag van zijn donkerblauwe parka.

   Ze glimlachte. ‘Nee, eigenlijk niet.’

   ‘Zo begint de dag grauw, en gaandeweg is er een en al licht. Net als het leven,’ zei Leen.

   Ze stak de tissue in haar jaszak. ‘Zoiets als That’s Life van Sinatra?’

   De tram reed onder de tunnel van het spoor, recht op het Hofplein af, waar die zo

afsloeg naar het Weena, voor Leen het eindpunt van de rit.

    ‘Ja zoiets,’ lachte hij, sinds dagen. En dacht: hoe is het mogelijk dat ze nou juist een van mijn favoriete liedjes noemt? 

‘U heeft me opgefleurd,’ had de jonge vrouw gezegd, nadat Leen op het stopknopje had gedrukt. Het warme gevoel dat hij hiervan kreeg, dat van ertoe doen, was er nog toen hij op de Coolsingel liep.    

   Hij blikte naar de ingang van het metrostation Stadhuis. Hij herinnerde zich hoe ongeduldig Mayke, Hans, en hij – vlak na de opening, in 1968 – de trap afrenden, onderweg naar hun eerste rit met dit nieuwe vervoermiddel in Nederland. Zijn aandacht ging daarna naar het stadhuis, waarlangs auto’s, fietsers en een tram zoefden. Statig en groots, machtig mooi met zijn balkon, ornamenten en beelden. Maykes gezicht lichtte op als ze ernaar keek, en daardoor het zijne. Ze was laaiend enthousiast geweest over de herinrichting van de Coolsingel, die in 2018 zou starten.

   En laat ze de Lijnbaan ook aanpakken, dacht Leen na zijn wandeling, en zeeg neer op een bankje in het hofje aan de Aert van Nesstraat. De Lijnbaan – waarmee de opbouw van ons vernietigde stadshart begon – was chic. Maar dat is foetsie. Er zijn vrijwel alleen   

massaketens. Weg met die eenzijdige en armoeiige troep. Goddank is Donner er nog. En Heetman, waar ik onze verlovingsringen kocht, en Mayke het liefst de rest van het spul.

   Maar het is goed dat ik hiernaartoe ben gegaan. Nondeju! Dat had ik eerder moeten doen. Geen mens gelooft me als ik zeg dat mijn herinneringen ondanks de aanblik van die vergane glorie levensecht werden. Ik was weer bij het begin van Mayke en mij. Die flonkering in haar ogen toen wij elkaar voor het eerst aankeken in Ruteck’s zag ik haarscherp en ik voelde vlinders fladderen door mijn oude lijf. Ik hoorde zelfs dat wijsje dat de bigband speelde, waarop wij daarna dansten. De goedkeurende glimlachjes van haar moeder, en Laen, haar nicht, – bij wie ze logeerden op de Oostzeedijk – voelde ik op heel mijn wezen stralen. En dat terwijl knurften en troela’s tegen me aanstootten, omdat ze opgingen in hun smartphones. Ik was weer bij onze afspraakjes. We aten taart en kroketten bij Scheffers, een ijsje bij Capri. Op de Lijnbaan vergaapten we ons aan de prachtige etalages, bezetten urenlang bankjes, genoten van de bloemperken, parkietjes en papegaaien.

Leen – nog op het bankje en met zijn gezicht naar de voorjaarszon geheven – schrok van gekef achter zich. Een bruin hondje stoof naar het grasveldje pal voor hem. Leen tuurde naar de hemelsblauwe lucht en murmelde: ‘Sjat, zo’n zwabber had jij ook gewild.’

   ‘Meneer, zei u iets tegen mij?’ vroeg een meisje dat ineens voor hem stond.

   Leen veerde op. ‘Nee,’ glimlachte hij. ‘Ik sprak hardop in mezelf.’    

   Het hondje sprong als een hertje tussen hen in en draaide rondjes.

   ‘Uitslovertje,’ zei ze.

   Het ging op zijn rug liggen, zijn voorpootjes kromde hij voor zich uit.

   ‘Wat is het voor ras?’

   ‘Abou is een langharige chihuahua.’

   ‘Abou?’

   ‘Sjaan heeft hem naar onze burgemeester Aboutaleb genoemd. Ze is dol op hem.’

   Leen schaterde het uit. ‘Mag ik weten wie Sjaan is?’

   ‘Dat is onze buurvrouw. En voor mij is ze mijn oma, omdat ik haar ken sinds ik klein was en mijn oma’s nooit heb gekend.’

   ‘Ja, ja,’ mompelde hij ongemakkelijk.

   ‘Ik vind dat niet erg hoor,’ zei ze monter. ‘Je kunt mensen niet missen als je ze niet hebt gekend. Sjaan is super-, superlief voor mij. Zoals een oma hoort te zijn, want een bloedband zegt ook niet alles.’

   Leen vroeg zich af hoeveel tijd zij met elkaar doorbrachten. In haar ogen alleen al schuilde een wijsheid die niet bij haar leeftijd hoorde, ze was hooguit tien jaar. 

   ‘Neske,’ riep een vrouwenstem vanuit de Aert van Nesstraat.  

    Het meisje keek over haar schouder daarheen. Leen boog naar links voorbij haar lichaampje en volgde haar blik. Op de stoep, voor de winkels, wuifde een oude vrouw.  

   Dat is een elegante dame, dacht Leen.

   ‘Ook toevallig, dát is Sjaan,’ zei het meisje zonder om te kijken. Ze riep: ‘Kom je?’

   Sjaan streek knikkend door haar bobkapsel, dat eruitzag alsof ze net de kapper had bezocht.

   ‘En jij heet Neske?’

   Ze knikte.

   ‘Dat is een aparte en mooie naam,’ zei Leen, terwijl hij zag hoe Sjaan rechtop lopend overstak.    

   ‘Die is Maastrichts,’ straalde Neske. ‘Mijn moeder komt daarvandaan.’

   Het is me een dagje, dacht Leen. ‘Spriks te Mestreechs?’

   ‘E bitsje.’

   ‘Ik heb mijn wandelrecord verbroken,’ zei Sjaan toen ze bij hen was.

   ‘Dat deed u charmant,’ reageerde Leen.

   ‘Hoe komt het dat u Maastrichts spreekt?’ vroeg Neske.

   ‘Dat heb ik van mijn overleden vrouw geleerd,’ zei hij, en sloeg zijn ogen neer.

   Sjaan ging naast hem zitten. ‘Is ze onlangs naar de andere zijde gegaan?’    

   Leen keek op terwijl hij zijn nagels zo hard mogelijk in de palmen van zijn handen duwde. ‘Ja, in september.’

   Sjaan seinde met haar ogen naar Neske dat zij en Abou moesten vertrekken.

   ‘Meneer, ik ben al een tijdje weg en ik denk dat mijn moeder zich zorgen maakt.’

   ‘Jongedame, het was prettig je te ontmoeten,’ zei Leen ietwat hees en stopte zijn handen onder zijn dunne bovenbenen.  

   Sjaan raakte kort Leens knie aan toen Neske en Abou wegliepen.

   ‘Ik weet wat je meemaakt,’ zei Sjaan. ‘Het was alsof mijn keel was doorgesneden toen mijn Arie overleed. Praten ging me voor mijn doen moeilijk af. Precies een halfjaar na zijn sterfdag heb ik mezelf opgeraapt, want een dik koord begon steeds meer te lonken. Ik mis hem nog steeds, maar ik ben het gaan verdragen.’

   In Leens hoofd zong Sinatra: ‘I just pick myself up and get back in the race. That's life (that's life), that's life and I can't deny it.’

   ‘Mijn keel moet wat gesmeerd worden. Zullen we een borrel doen?’

   ‘Ja, want ik heb trek in bitterballen,’ lachte ze, en kreeg rode konen.

Vond je dit een mooi verhaal? Like, volg en deel het dan met je vrienden en familie!
We zijn ontzettend benieuwd naar jouw eigen verhaal over Rotterdam! Doe je ook mee met de RotterdamSchrijft schrijfwedstrijd? Je kunt toffe prijzenpakketten winnen! Meer informatie www.rotterdamschrijft.nl