Een gids

Orvieto Underground

Een gids

De luipaard, zittend op het andere bed, poetst zijn klauwen. Buiten de kamer klinkt muziek, fluitspel, en het getokkel van snaren.

Vesper drinkt uit een bronzen beker. Ze is moe van het dansen.

‘Nog meer?’

In de deuropening staat een vrouw met een karaf.

‘Graag!’

De mede lest dorst en honger tegelijk.

‘Zoek je je vader?’ De vrouw, ze heet Giada, herinnert Vesper zich, aait de luipaard.

‘Ik zoek de uitgang,’ zegt Vesper.

Giada staat op. ‘Rust nog wat, dan stuur ik een gids.’

 

Er schijnt licht in de kamer. Onder de boog van de deur staat een kleine zilveren gestalte. Zijn lichte huid en haar flakkeren aan en uit. Pas wanneer hij aarzelend ‘Bongiorno’ zegt, realiseert Blue zich dat hij geen geest is. Hij draagt een lichte spijkerbroek en een wit t-shirt, en houdt een kaars in zijn hand.

‘Zoek je mij?’ vraagt Blue in het Italiaans.

De jongen kijkt haar zoekend en een beetje angstig aan.

Ze probeert te glimlachen. Het is nog een kind. Te jong om tunnels in te sturen om een verloren toerist op te sporen.

De jongen komt iets dichterbij. ‘Are you real?’ 

Het licht van zijn kaars valt op de muurschildering van een luipaard. Als ze goed kijkt ziet ze daaronder dansende jongelingen, met fluiten en iets harp-achtigs.

Ze schudt haar hoofd. Even vraagt ze zich af of dit wel echt is, of de hele nacht een verzinsel is, een delirium?

Maar ze herinnert zich elke stap, elke gang, elke grot. De afgrijselijke realiteit van de executie.

‘Heb je water?’ vraagt ze.

Het overtuigt de jongen van haar echt-zijn. Hij vist een flesje uit zijn rugzak. ‘Plenty water.’

Hij ziet er vreemd uit. Wit haar, witte wenkbrauwen en wimpers, en rimpels rond zijn waterblauwe ogen. Breed voorhoofd, met vlekkerige bleke huid, brede neus en volle lippen. Zijn ogen zijn oud. Het gezicht van een wijze, in het lijf van een kind.

‘Ik ben Tago,’ zegt hij.

‘Ik ben Blue,’ zegt Blue. ‘En ik ben verdwaald.’

Hij glimlacht. ‘Ja. Dit is stad van doden. Jij bent verdwaald.’

Necropolis. De term springt vanzelf op in haar hoofd. De stad waar de Etrusken hun doden begroeven. Ze herinnert zich veel meer dan ze ooit bewust gelezen heeft — haar blik valt op de schildering van enkele jonge dansers op de andere muur — of gezien.

 

‘Niemand durft hier te komen,’ zegt Tago wanneer ze even later door de gangen lopen. ‘Daarom is het veilig.’

Hij en zijn metgezellen, die ze niet te zien krijgt, hebben zich verstopt in enkele van de ondergrondse grotten. Ze maken deel uit van een groep vluchtelingen die wacht op verder transport.

Afgelopen nacht zijn ze met spoed uit hun vorige verblijf, in grotten onder een stad, hierheen gebracht.

‘Er kwam politie,’ zegt Tago. ‘Er was iets gebeurd, daarom moesten we weg. Uit voorzorg.’

Blue vermoedt dat ze weet wat er gebeurd is. Houdt haar oom zich bezig met mensensmokkel? Weet de rest van de familie dat?

Ze probeert Tago uit te horen. Wie had hem hier gebracht? Kon hij mensen beschrijven?

Hij wil niets zeggen. Dat alles is geheim.

Tot iets de kaars uitblaast. Tot hij zijn lucifers laat vallen en in paniek dreigt te raken.

‘Je hoeft niet bang te zijn,’ zegt Blue. ‘Kalm maar, ik vind de lucifers wel. En anders kan ik je wel door het donker leiden.’

Ze voelt dat hij haar aankijkt. En blijft aankijken.

Zijn gezicht is warm zwart in de duisternis. Blue weet niet of ze gewend raakt aan het kijken in het donker, het lijkt veel gemakkelijker dan afgelopen nacht. Misschien maakt moord alles donkerder. ‘O…’ Het klikt als een lange zucht. ‘Ze zijn blauw. Jouw ogen.’

Ze lacht even. ‘Kun je dat wel zien, dan?’

‘Natuurlijk,’ zegt Tago. ‘Ze geven licht.’

In de wandeling door de gangen vertelt hij haar zijn geschiedenis.

Na een lange reis, met karren, vrachtwagens en boten is hij aangekomen in een Italiaanse havenplaats, die volgens Blue Porto Ercole zou kunnen zijn. Daar is hij samen met een groep vrouwen naar een stad gebracht, die op een platte berg stond.  Ze moesten een lange trap lopen, en dan een deur door, een tunnel in, langs grotten, tot ze in een aantal cellen werden opgeborgen. Tijdelijk, de cellen gingen niet op slot, er waren wc’s en kaarsen voor het licht.

Een man in een duur kostuum zei hen af te wachten. Ze hebben allemaal brieven geschreven of familie laten bellen met de vraag geld te sturen voor verder vervoer.

Wanneer de jongen klaar is met zijn relaas, is Blue er zeker van dat haar oom Gianni met het Italiaanse deel van de mensensmokkel te maken heeft.

Tago zelf komt uit Tanzania, waar hij vanwege zijn huidskleur gevaar liep. Door toverdokters, legt hij uit, die denken dat een albino iets magisch heeft — als je hem kookt.

Blue heeft er over gelezen, toen haar zusje geboren was, en ze bang waren dat ze een albino was. Maar Biancha heeft in vier maanden steeds meer kleur gekregen. De jongen die nu zijn kaars uitblaast, omdat er daglicht de gang in schijnt, zal altijd wit blijven.

  

Wanneer Blue door verbrokkelde stenen en boomwortels naar buiten kruipt, is het laat in de middag. Niet laat genoeg voor Tago, die zijn ogen dichtknijpt tegen het daglicht en in de schaduw van de bomen gaat zitten. Blue laat zich verwarmen door de zon. Ze aarzelt om terug te gaan naar de stad die ze tussen de bomen door kan zien liggen. Terug naar een familie waar ze niet welkom is, terug naar duistere geheimen.

Aan de hemel groeit het aambeeld van een aankomende onweersbui. De zon daalt achter Orvieto. Ze zou voort moeten maken. Ze moet haar tante waarschuwen. Dat is een fijne taak: Siny vertellen dat haar vriend een moordenaar is. Zou het lijk al gevonden zijn? Hoe staat het met haar neefjes? Wordt ze vermist? Moet ze de politie waarschuwen? Allemaal vragen.

Het wordt snel donkerder. Tago geeft haar een appel. In de verte rommelt het al.

‘Vertrouw hem niet,’ zegt ze.

Tago hoort haar niet. Hij is opgestaan en zijn ogen volgen de vlucht van een zwerm vogels. Wanneer hij tegen de zon in kijkt, kan ze de rode bloedvaten in zijn pupillen zien.

‘Vertrouw ze niet,’ zegt hij. ‘Er dreigt gevaar.’

‘Voor mij of voor jou?’

Hij haalt een handvol ronde kiezels uit zijn broekzak, en strooit ze uit over de grond. De blik in zijn ogen is even oud als de graven die ze verlaten hebben.

‘Voor jou.’ Ook zijn stem klinkt oud.

Ziet hij dat in de stenen? Blue begrijpt niet hoe ze in gevaar kan zijn. Niemand weet dat ze getuige was van een moord.

Een gewoon kind wil ze dit niet vertellen, maar de jongen met het oude gezicht, dat haar bezorgd aankijkt, moet gewaarschuwd worden.

‘De man die jullie hierheen bracht, is een moordenaar,’ zegt ze.

Het schokt hem niet. Hij knikt alsof hij het al weet. Tot de zon ondergaat, bedenken ze samen wat haar volgende stappen moeten zijn.

A casa