In het donker

Orvieto Underground

In het donker

Blue had zich geschaamd, toen haar moeder zwanger werd, terwijl ze al zesendertig was. Stom eigenlijk dat ze het niet had zien aankomen. Björn was een goede gozer, en hij was al jaren bij hen. Hij was haar vader geweest vanaf haar negende jaar, een goede vader.

Een vader die andere kinderen wilde.

Het had als verraad gevoeld, dat zij alleen niet genoeg was. Nog erger vond ze het, dat ze niets had geweten van alle ziekenhuisbezoeken van haar moeder, de vele, vaak vergeefse, pogingen om zwanger te worden.

Als een jaloerse kat had ze zich daarom afgekeerd van alle voorbereidingen: behangen, schilderen, een bedje kopen.

Tot haar moeder rond was als een tonnetje, en Blue gedwongen werd een hand op haar buik te leggen. Haar hand werd weggeduwd door een elleboog, en een voetje, een vuist.

Vier vuisten zelfs, vier voetjes.

Het tweede bedje had ze zelf uitgezocht. Een bedje voor een broertje. Voor een kleine Bjarne, omdat ze begreep hoe graag grote Björn zijn naam aan zijn zoontje gaf.

Blue werd toen nog Bee genoemd, dat was een fractie beter dan Trix. Bang dat het kleine wurm met eenzelfde klassiek gewrocht als zij zou worden opgescheept — want zeg nou zelf, wie wil er Beatrice heten — had ze Becky voorgesteld, of Bella. Want haar moeder wilde een meisjesnaam met een B.

‘Dan heb ik drie B-tjes,’ zei ze. ‘Benedetta is ook mooi, of Bernarda.’

Toen het wichtje geboren was, klein maar perfect, en ze in de armen van Bee lag, tere roze huid tegen olijfkleurige, en ze de wereld opnam door grote lichtgrijze ogen onder spierwit haar, paste er maar een naam: Biancha.

Na vier maanden had haar zusje nog steeds witblond haar, al kleurden haar wimpers gelukkig al een beetje. Ze was gegroeid, hoewel niet zoveel als Bjarne, de stevige beer, wiens ogen donkerder werden, het bruin van Björn, en wiens haren steeds rossiger werden.

‘Nu heb ik alle kleuren die ik me wensen kan,’ had Björn gezegd. ‘Rood, wit en blauw.’

En hij had haar aangekeken. ‘Ik noem jou voortaan Blue.’

‘Geen zwart?’ Haar haar was zwart, op een lange witte lok na, die ze steeds in een andere kleur verfde. Hij was nu roze, vanwege de baby’s.

‘Blauw. Vanwege je ogen. De hemel en de zee.’

Wie had er een andere vader nodig? De volgende dag had ze haar lok hemelsblauw geverfd.

~~~~~~~~~

Alle besef van tijd is verdwenen.

Het kunnen uren zijn, of eeuwen, dat ze daar onder de rotsen ligt. Waardoor ze wakker werd, weet ze niet. Er zijn geen andere geluiden dan die van haar eigen ademhaling.

In en uit. Er is lucht genoeg.

Ruimte is er niet, maar liggen en ademen is voorlopig voldoende.

Ze heeft aan de BB-tjes gedacht, Bjarne en Biancha. Aan Björn, die haar haar naam gegeven heeft.

Gek is het, om hier te liggen, met tonnen steen onder en boven je, en te denken aan de twee hummels. Aan thuis.

Misschien is het toch niet zo vreemd. Nu de eerste paniek verdwenen is, komt het gevoel van bekendheid terug. Voor steen hoeft ze niet bang te zijn.

Ze laat de zwartheid op zich inwerken, zoekt het zesde zintuig, dat haar eerder hielp.

Er is ondoordringbaar zwart, hard als obsidiaan, daar is steen. Er is ook adembaar zwart, nachtzwart als een hemel zonder sterren, daar is ruimte.

De weg terug ligt links van haar. Hij leidt naar beneden, dieper de grond in. Terug naar de grot met het lijk wil ze niet. Daar leeft angst en geweld in de rotsen. Daar kan ze niet denken.

Hier wel.

Ze schuift opzij en achteruit, tientallen meters, tot er genoeg ruimte is om te keren. Omlaag, vooruit, op zoek naar een andere uitgang.


Overal waar ze kiezen kan, kiest ze de weg die naar beneden leidt. Ze volgt een krom pad langs obstakels, een route door kleine grotten, een trap, tot ze in een rechte gang komt. De vloer is ruw maar vlak. De wanden ook. De gang is niet breed. Wanneer ze haar armen uitsteekt kan ze net de wanden raken. Het plafond is gewelfd. Ze kan een stukje voelen, aan de zijkanten, maar in het midden kan ze er niet met haar handen bij.

Het gaat niet zonder stokken of stoten. Haar schenen zijn inmiddels bont en blauw. Ze wilde dat ze een stok had, om voor zich uit te steken.

Zou het buiten al licht zijn?

Ze begint te zwalken. Steeds stoot ze haar rechterhand tegen de muur. Kon ze maar even rusten. Of iets drinken.

Water.

Als ze in het donker rotsen kan zien, zou ze dan ook water kunnen voelen?

Hij kan overal water vinden. Boeren vragen hem waar ze een put moeten graven.

Ze heeft dit als kind horen zeggen, door buurvrouwen, over babbo, haar vader vóór Björn: De Italiaan is een wichelaar.

De verklaring is zo simpel.

Ik heb dit van mijn vader.

Ze heeft geen pendel of wichelroede die ze voor het doel zou kunnen gebruiken, maar haar zintuigen staan toch al op scherp. De gedachte aan water is sterk omdat ze dorst heeft. En er ís water. Recht vooruit.

Met frisse moed volgt ze de gang, die nog steeds schuin omlaag loopt. Het gevoel van water wordt sterker. Vooruit, vooruit…

… en dan is het recht boven haar. Boven, boven, boven…

En achter.

De gang loopt eronderdoor. Onder een beek of riviertje. 

Waar is ze in vredesnaam, loopt er water vlakbij Orvieto? Of voelt ze hier de herinnering aan water?

De stroom is meer dan een grens. Er is een vóór en een na het water.

Achter mij is waar de levenden sterven. Voor mij is waar de doden leven.

De gedachte boezemt haar geen angst in.

Nadat Blue de stroom gepasseerd is, loopt de gang langzaam omhoog. De lucht die ze ademt beweegt alleen doordat zij daar loopt. Het stof dat haar voeten verplaatsen lag daar eeuwenlang onberoerd. De rotswanden lijken ogen te hebben. Wie gaat daar? Wie verstoord onze rust?

Blue volgt een bocht naar rechts, en dan naar links. Onverwacht staat ze vlak voor een muur. Ze steekt haar handen uit. Rots. Gladde steen met rechte randen. Rechthoekige blokken. Is er dan geen… ja, daar, ze kan de stenen verschuiven. Een opening. Laag en smal, ze moet bukken om erdoor te kunnen. Iets zegt haar dat ze de stenen terug moet schuiven op hun plek. Dan gaat de gang verder, hij wordt breder. Ze staat even stil. Er zijn kamers, links en rechts. Ze gaat er een in.

Even denkt ze dat er mensen naast de deuropening staan, maar de ruimte is leeg. Voor haar is een smalle doorgang naar een kleine ruimte, misschien twee bij twee meter. Ze voelt een stenen bank, links, en rechts. Als twee kooien in een scheepshut, denkt ze.

De bank is hard, uitgehouwen in de rotsen, maar als ze er even op zit, voelt ze ook warmte. Ze trekt haar benen op, vouwt de capuchon van haar hoodie onder haar hoofd en sluit haar ogen.

Een gids