Schoten

Orvieto Underground

Schoten

Abrupt staat Blue stil. Midden in de gang verspert een berg puin de weg. Ze hoeft haar voet maar tien centimeter vooruit te steken of ze zal haar teen stoten. Ze doet het niet. Na tientallen gangen in, trappen op, en grotten door, vertrouwt ze blindelings op het instinct dat haar vertelt waar de grenzen van de ruimte zijn. Dit obstakel is onverwacht, en toch is ze op tijd gestopt. Maakt ze gebruik van hetzelfde zintuig dat blinde mensen ontwikkelen?

Toch lijkt dit anders. Er is een weten, weten dat het puin dat de weg verspert het resultaat is van een instorting, en dat de gang daarachter verder loopt. Een gang die ouder is dan de jaartelling.

Blue kijkt of ze over het puin heen kan klimmen. Dan onderzoekt ze of er een andere weg vanuit de grot loopt, die ze kortgeleden gepasseerd is.

De grot is gedeeltelijk gevuld met brokken steen.

Voor het eerst sinds ze begon met lopen klapt Blue haar telefoon open. Het licht verblindt haar meteen. Snel dimt ze het display. 38% staat er in de rechterbovenhoek, 01:48.

Links van haar ligt het puin tot aan het plafond. Misschien ìs het een deel van het voormalige plafond. Als dat zo is, kan ze dan bij de bovenliggende vloer komen? In deze tufstenen bijenkorf liggen de grotten als de cellen van een honingraat naast en boven elkaar. Zonder aarzeling stapt Blue over de brokstukken. Waar de berg het laagst is, klimt ze voorzichtig naar boven. Een lange blik met de zaklamp, voor ze het mobieltje dichtklapt en in haar achterzak stopt.

De spleet is niet meer dan veertig centimeter hoog, en nauwelijks breder dan Blue is. Daarna wordt het niet veel beter. Als het nergens toe leidt, zal ze achteruit terug moeten kruipen.

Ze past er net doorheen. De brokken zijn ruw en ongelijk. Ze schaaft haar handen en haar wang. Haar borsten pletten en schuren tegen de rotsen, en ze is blij met haar dikke hoodie. Na tien meter wordt de nauwe tunnel breder. Het is moeilijk oriënteren, overal rondom haar is steen, ondoordringbare steen. Loopt de tunnel naar links?  Ze schuift een stukje verder, onzeker. Het pad over de rotsblokken lijkt omlaag te lopen. Misschien komt ze zo weer in de versperde gang terecht.

Maar haar gevoel zegt dat de bewoonde wereld rechtsboven ligt. Ze kruipt een vijftal meter naar rechts. De bodem lijkt hier vlakker. Het is er breder ook, al kan ze haar hoofd nog steeds niet oprichten. Centimeter na centimeter schuift ze vooruit. Het is meer tijgeren dan kruipen. Steeds voelt ze met haar hand of er geen obstakels liggen, of er geen punten omlaag steken waartegen ze haar hoofd stoten kan.

Als ik bewusteloos raak, weet niemand waar ik ben.

Hoe lang schuifelt ze daar, tien minuten, twintig?

Ze heeft geen idee.

Net op het moment dat ze het op wil geven, dan toch maar achteruit terug, hoort ze stemmen.

Zo snel ze kan tijgert ze verder.

Zoeken ze mij?

‘Hier ben ik!’ wil ze roepen, maar iets houdt haar tegen.

Het is de vraag of ze gehoord zou worden, zo luid zijn de stemmen. Een basstem scheldt de anderen uit. Haar Italiaans is goed genoeg om dat te begrijpen. Het is geen verhitte discussie, zoals op de markt, geen tegen elkaar opbieden. Er is woede — en nog iets anders.

De woedende stem resoneert tegen de rotswanden, de uitroepen echoën onverstaanbaar rond. De woorden die de anderen tegenwerpen stijgen aarzelend omhoog, als de rook van uitgeblazen kaarsen. Het zijn bange woorden, smeekwoorden. Het schelden en smeken gaat door tot de rots waarop Blue ligt zindert van één allesoverheersende emotie: angst.

De spleet lijkt nauwer te worden. Het stenen plafond zwaarder. Van angst doordrenkte rotsblokken dreigen omlaag te storten en haar te bedelven. Niet te kunnen zien en weten is nu erger dan stilliggen met dichte ogen.

Ze kruipt voort tot ze blauwwit licht ziet. Het beschijnt het gewelf van een plafond. Zonder geluid te maken, zonder ook maar een kiezel te verplaatsen, schuift ze omhoog. Nog een stukje, dan kan ze ook de rotswand aan de overkant zien.

Een looplamp op een kist verlicht een groepje mannen. Hun schaduwen bewegen tegen de verlichte wand. Hun stemmen klinken door elkaar. Roepend, vragend, pleitend. De scheldende man moet ergens onder haar staan.

Plotseling mengt zich een andere stem in de discussie.

‘Basta!’

Iedereen zwijgt. Voeten schuifelen. Alle ogen richten zich op één punt.

De man die dan spreekt hoeft zijn stem niet te verheffen. Zacht stelt hij vragen. Zacht wordt hij geantwoord. Korte vragen, korte antwoorden.

Blue, onzichtbaar in de schaduw van de rotsspleet, hoopt dat niemand het bonzen van haar hart kan horen. Ze kent die stem, al kan ze de spreker niet zien. Maar Gianni kán hier niet zijn. Haar oom, de vriend van Siny, is gisteren vertrokken, met het vliegtuig naar Madrid. Siny had hem zelf op het vliegveld afgezet.

Is hij nu hier? Blue zou hem kunnen zien, als ze vijf centimeter naar voren schuift. Ze doet het, voor Siny.

Hij is het. En hij heeft een gelaatsuitdrukking die ze nooit eerder bij hem gezien heeft, onheilspellend koel. Hij vraagt iets en vier mannen wijzen naar een vijfde. Het gaat over de kisten. Mist er één, of is er iets uit gestolen? Blue kan niet alles verstaan, maar wat de vijfde zegt, maakt haar koud tot op het bot.

‘Nee, alstublieft. Ik heb kinderen!’

Een zesde man verschijnt in haar gezichtsveld, een grote, zware kerel. Hij zegt iets tegen de vier, die elk een kist optillen en hun maat de rug toekeren. Achter elkaar verdwijnen ze uit het zicht. Dan pakt de zesde een kist en volgt hen.

In de grot staan dan alleen nog Gianni en de vijfde man.

Blue weet niet of ze wachten ze tot de voetstappen van de andere weggestorven zijn, of tot de deur achter hen in het slot gevallen is. Het lijkt lang te duren, maar misschien is het slechts een paar minuten.

Gianni kijkt naar de man, en de man kijkt naar Gianni.

Alsof hij een bevel ertoe gekregen heeft, zakt de man op zijn knieën. Hij neemt zijn pet van zijn hoofd en verfrommelt hem tussen zijn handen. Hij slaat een kruis. Smeekt.

Gianni pakt een pistool uit zijn jaszak. Hij richt het, kort, met beide handen, en schiet de man door zijn hoofd.

De snelheid en het gemak waarmee hij dat doet, schokt Blue evenzeer als de knal die door de grotten echoot.

Misselijk ziet ze even later de zwaargebouwde man terugkomen. Hij draag een donkergrijs grondzeil. Kalm trekken Gianni en hij rubber handschoenen aan, blauwe. Samen rollen ze het lichaam in het doek. Bloed lijkt zwart in het lamplicht. Gianni veegt zijn pistool schoon; stopt het in zijn zak.

Voor de volgende keer, denkt Blue.

Ze kokhalst, verslikt zich, en hoest.

De heren staan ineens stil. Ze kijken naar elkaar, vragend. En dan omhoog. Hun ogen speuren langs de rotswand wanneer de ringtoon van een telefoon klinkt.

‘Pronto!’ Gianni neemt op. Hij luistert even en ratelt dan in rad Italiaans. Hij klemt de telefoon tussen kaak en schouder. Trekt met zijn tanden de rubber handschoen van zijn rechterhand. Gebaart met de linkerhand naar de ander. Zegt iets en stopt de telefoon in zijn zak. Snel kijkt hij heen en weer naar de vloer en de muur, waar hun jassen liggen, een tas, wat papieren.

De heren rollen het lijk weer uit het zeildoek. Laten het gewoon op de grond vallen. Daarna legt Gianni het pistool in de dode vingers. Voordat ze alle spullen hebben verzameld, en de lamp gedimd, is Blue al achteruit geschoven.

Weg, weg.

Terug naar het donker.

Weg van het licht en de harde kleuren van de realiteit.

~~~~~~~~~

De adrenaline giert door haar keel wanneer ze achteruit door de rotsspleet vlucht. Ze voelt niet hoe het steen over haar wangen schuurt, hoe ze haar handen openhaalt en haar hoofd stoot tegen uitsteeksels die ze eerder niet had opgemerkt.

De duisternis is rood voor haar ogen.

Ze heeft niet genoeg adem om haar hart bij te kunnen houden.

Dan blijft ze steken, haar hoodie opgestropt onder haar borst en oksels, haar buik koud tegen de ruwe steen, haar lippen vol gruis, en laat zich bedelven door het gewicht van geweld en eeuwenoude steen.

Wanneer ze bijkomt, weet ze niet waar links of rechts is, onder of boven. Overal waar ze met haar handen of voeten reiken kan, voelt ze rotsen. Het duurt even voor ze beseft dat de stenen niet bewegen, dat ze niet bewogen hebben, en niet zullen bewegen. Het gevoel bedolven te worden door torenhoge rotsblokken, is alleen een gevoel. Rood, als angst.

Deze rotsen zijn zwart. Er is lucht, koele lucht. Wat haar zo inklemt, is haar hoodie. Ze is hierheen gevlucht, achteruit door de rotsspleet. 

En nu?

Om hulp roepen durft ze niet.

Kon ze maar iemand bellen. Maar…

In de grot is bereik.

Ze ziet de zware man weer voor zich, met zijn mobiel. De snelheid waarmee hij en Gianni de grot verlieten.

Ze moet erheen. Siny bellen.

Naar de grot waar het lijk ligt.

Het lijk van de man die een kruis sloeg, voor hij geëxecuteerd werd.

Door de vriend van Siny. 

Het wordt weer rood voor haar ogen. Kalm aan. Rustig ademen. Eerst maar eens bedenken waar die grot was. Welke kant moet ze uit?

Naar voren, zegt haar verstand. Dat is de kant waar ze nu met haar hoofd ligt.

Maar ze moet gedraaid zijn, want daar voelt ze alleen maar steen.

Er zit niets anders op dan even licht te maken. Met moeite door de beperkte ruimte, trekt ze de zoom haar hoody omlaag. Daar, in de zak…

… geen mobiel.

Had ze hem in haar broekzak gestopt?

Weer tast ze. Er zit een scheur in haar kontzak. De andere zakken zijn leeg.

Elke centimeter van de rots doorzoekt ze. Ze steekt haar vingers in diepe spleten, om te voelen of ze het gladde oppervlak van haar reddingsboei kan vinden. Haar nagels scheuren. Haar vingertoppen voelen heet aan door het schuren langs de ruwe steen.

Er is alleen maar steen. Ze probeert te ademen. Er is niet genoeg zuurstof. Voor, achter, onder, boven, links, rechts — overal is rots. Geen mobiel. Geen licht.

Nooit meer licht.

Het zweet breekt haar uit. Haar mond is vol stof, en haar armen en benen tintelen.

Begraven in steen.

Haar laatste adem is voor haar kleine broertje en zusje. Haar laatste gedachte is die aan rozewitte huid en petieterige vingertjes.

In het donker