Het kaarsje

Het kaarsje

Het kaarsje

‘Heb je een vuurtje?’

Het had een afgezaagde openingszin kunnen zijn, maar het kaarsje dat hij erbij liet zien, wekte toch haar belangstelling.

‘Natuurlijk,’ had ze gezegd.

Hij had dankbaar geglimlacht en gevraagd of ze even mee wilde lopen het straatje in, waar het wat minder hard waaide. Daar aangekomen zette hij het kaarsje op de grond en keek hij bijna eerbiedig toe hoe zij licht in de duisternis bracht.

‘Misschien vind je dit raar,’ had hij zachtjes gezegd. ‘Maar ik heb het net gekocht en wilde het branden voor …’

Hij begon te huilen. Ze legde een hand op zijn schouder.

‘Wil je me vertellen wat er gebeurd is?’

Plotseling schoot zijn hoofd omhoog.

‘Heel graag eigenlijk. Zie je, het is voor mijn moeder. Ze … ze is overleden.’

‘Wat erg. Pas geleden?’

Hij knikte.

‘Vanochtend.’

‘Was het onverwacht?’

‘Ja en nee. Het zat eraan te komen hoor, maar ik had het liever niet gedaan. Ik had het echt liever niet gedaan, dat zei ik haar nog. Ik zei dat ze moest ophouden met zeiken, dat ze …’

Geschrokken keek hij haar aan.

‘Dat had ik niet moeten zeggen.’

 

Voordat ze kon rennen of roepen, werd alles zwart.