Winter

Winter

Winter

Druppels vielen met regelmaat van de jas die doorweekt over de stoel aan het haardvuur hing. De man wreef in zijn handen, trok zijn schoenen uit en knielde op het schapenvel. De winter was streng dat jaar.

Voorzichtig schoof hij de kattenmand een stukje opzij. Zonder Minoes kreeg hij het niet warm. Zijn hart bleef even koud als de buitentemperaturen, ondanks de bezoekjes van de kinderen en de knuffels van het huisdier.

Alsof ze zijn eenzaamheid voelde, stapte ze naar hem toe en vlijde zich tegen zijn been. Het hielp een beetje.

“Ik mis haar”, zei hij. Zijn lippen bewogen amper.

Hij streelde haar rug. Ze spinde, wreef met haar hoofd langs zijn dij.

“Ja, meisje, ik hou ook van jou.”

Mistroostig wendde hij zijn blik af en keek door het raam naar de decimeters sneeuw die het bos achter zijn blokhut bedekten. Daar ergens moest ze zijn, de liefde van zijn leven. Bijna een jaar geleden was het. Hij had haar voetstappen gevolgd tot het spoor vervaagde, al lang omringd door donker, en zijn lichaam zo koud leek dat hij het niet meer voelde. Elke hoop op haar terugkomst had hij laten varen.