Zeemeeuw

Zeemeeuw

Zeemeeuw

‘Als we voor elkaar gemaakt zijn, kom ik je hier vanzelf weer tegen.’ Het licht van de vuurtoren strijkt over haar gezicht . Licht-donker-licht. Net lang genoeg licht om haar serieuze blik te zien. En ik, stapelverliefd, kan niet anders dan haar geloven.

 

Sindsdien ga ik elk jaar naar Terschelling. Dit is de twintigste keer. Vanaf de boot kan ik de Brandaris al zien, het baken van mijn hoop. Even later loop ik er over de klinkerstraatjes naartoe. Het regent zachtjes. Zoals altijd durf ik eigenlijk niet te kijken, bang voor opnieuw een teleurstelling. Tegelijkertijd kan ik niet wachten tot ik er ben.

 

 Ze is er niet. Ik haal diep adem, strijk met mijn hand over de ruwe stenen van de vuurtoren. ‘Tja jongen, ik weet ook niet waarom ik er in blijf geloven.’ Ik staar naar de grijze lucht. Een zeemeeuw vliegt tegen de storm in naar zee, steeds verder bij me vandaan.

 

Tijd op om te warmen. Bij Hotel NAP bestel ik koffie. Terwijl ik wacht blader ik door de Terschellinger. Mijn oog valt op een rouwadvertentie. Onderaan: ‘Voor wie wacht bij de Brandaris: Lisa is je nooit vergeten.’ Er is een zeemeeuw bij getekend.