Betonnen bal

Betonnen bal

Betonnen bal

 

Op het schoolpleintje van de kleuterschool stond een abstracte vorm van beton. Elk speelkwartier probeerden Frank en ik er als eerste te zijn. De vorm was een open rechthoek met een verdieping in het midden, op het dak een betonnen bal. Als ik er was, kroop ik direct op het onderste plateau, daar voelde ik me veilig. Frank klom naar de eerste verdieping en soms klauterde hij naar de betonnen bal.

Gelukkig hadden we besloten dat ik op de begane grond woonde en hij op de eerste verdieping. Eenmaal ben ik op zijn plek geweest. Met mijn ogen zocht ik de route die Frank altijd nam als hij naar de betonnen bal klom, maar ik werd al misselijk bij de gedachte. Met angst in mijn lijf zochten mijn voeten, toen ik weer naar beneden wilde, aftastend de vaste grond. Frank zei niets, pakte een voet en begeleidde hem op het beton. Nooit hadden we het over mijn vrees. Het leek alsof hij voor hem niet bestond. Frank deed me geloven dat ik hem een gunst had verleend door hem boven te laten wonen onder de betonnen bal.

 

Tussen onze huizen zaten drie woningen en een tussenpad. Soms kwamen we bij elkaar binnen maar liever waren we buiten. We deden alles samen, verzonnen clubjes waar alleen wij lid van mochten zijn.  Frank kon heel goed voetballen en alle meisjes waar ik verliefd op was, waren het altijd op hem. Ze zagen mij alleen maar omdat ik hen dichterbij Frank bracht. Waarom hij met mij bevriend was, vroeg ik me geen moment af. Samen waren we onoverwinnelijk, iedereen konden we aan. Ik begreep heel goed dat ze hem leuker vonden, dat vond ik ook. Als ik met hem was, had ik het idee dat ik iets hoger kwam.

Eén meisje was mijn grote liefde, in mijn dromen zou zij mijn bruid worden. Natuurlijk sprak ik over mijn toekomstbeeld en al snel raakte Frank, net als ik, in de ban van haar. Samen gingen we naar de bungalow waar ze woonde. Het was misschien tweehonderd meter van onze straat vandaan maar had niets te maken met de rijtjeshuizen waarin wij leefden.

Frank en ik durfden meestal niet aan te bellen maar gingen tegen de muur van hun garage aan staan. We verzonnen dromen waarin het meisje gered moest worden en wij de heldenrol vervulden. Aan het eind was ze ons eeuwig dankbaar en verliefd op allebei. Ik voelde me altijd ietwat schuldig omdat het bij mij verzinsels waren terwijl ik er vanuit ging dat Frank het allemaal echt had gedroomd.

 

Alle kinderen in onze straat met wie wij ook speelden, hadden alleen maar een bijrol in ons bestaan. Ook de volwassenen - zij gaven ons eten, wilden altijd hun auto parkeren waar wij aan het stoepranden waren of kwamen naar buiten omdat we de bal niet tegen hun muur mochten schoppen. Ze waren er, maar gaven geen kleur.

Toen de wereld groter werd, verloor ons verbond zijn magie. Frank richtte zich steeds meer op sport terwijl ik me meer met muziek ging bezighouden. Nooit kregen we ruzie maar we verdwenen langzaam uit elkaars wereld. Soms spraken we elkaar nog. Om ons heen renden kinderen waarvan we de namen al niet meer kenden. Onze straat was het beginpunt geweest. We hadden de volgende stap gezet. Ook onze grote liefde was uit het oog verloren.

 

Af en toe hoorde ik van anderen over Frank. Hij zocht zijn grenzen op tijdens survivaltochten. Met een paar man ging hij de bergen in om alle ontberingen te trotseren. Ik was een punkertje geworden met een sjekkie tussen de lippen en een biertje in mijn hand. Als zanger van een bandje schreeuwde ik moord en brand. Naast het podium durfde ik niets. We leefden in andere werelden, ieder zijn verdieping. Een groter verschil was niet denkbaar. Toch waren wij samen altijd in evenwicht geweest, als twee communicerende vaten.

 

Toen kwam het bericht dat me voor altijd uit balans bracht. De survivalgroep waarin Frank zat, was verrast door een lawine. Als een betonnen bal was de sneeuw over hen heen gedenderd. De meeste jongens konden zich bevrijden, maar twee bleven zoek. Eén jongen ging hulp halen en de rest ging als gekken graven. Onderkoeld konden ze er eentje uit de sneeuw bevrijden maar Frank leek voorgoed verdwenen. Een paar dagen later werd hij gevonden, aangevreten door een stel wilde honden.

De sterkste jongen die ik kende, de jongen die nooit opgaf, voor altijd weg. Zijn dood sloeg een gapend gat in mijn lijf. Frank, mijn eerste vriend - de jongen die alles durfde. Ik dacht altijd dat hij het levende bewijs was dat willen en kunnen synoniem konden zijn. Niets bleek minder waar.