De Reuzen van Rotterdam

De Reuzen van Rotterdam

De Reuzen van Rotterdam

Rigardus Rijnhout

Als vijfjarige, het was 1951, legde ik al een bijzondere belangstelling voor het spellen van woorden aan de dag. Als mijn vader met de auto door Rotterdam reed, spelde ik op de achterbank alle woorden op de reclameborden op gebouwen die we tijdens de rit tegenkwamen. ‘Van Nelles’s koffie’ stond er toen boven op het Witte Huis. De eerste wolkenkrabber van Rotterdam met een hoogte van wel drieënveertig meter. Mijn moeder was er als kind nog met een schoolreisje naartoe geweest en had voor de eerste keer in haar leven in een lift gestaan. Ze werd van dat hardop spellen van mij altijd een beetje kriegelig. Aan de andere kant was ze ook wel blij omdat ik nogal haspelde met woorden. Zo bleef ik consequent goletje zeggen in plaats van vogeltje. Misschien zou dat nu overgaan. Door dat spellen.  Als mijn vader, die Anton heette, zag dat mijn moeder er kriegelig van werd, zei hij: ‘ Stoor je er toch niet zo aan Nel. Het gaat vanzelf weer over’.  Nel zo heette mijn moeder omdat ze haar doopnaam Neeltje niet leuk vond.. Mijn moeder stiftte dan in het spiegeltje dat zich heel luxe boven haar zitplaats voorin naast mijn vader bevond van onze lindegroene luxe sedan, een Renault Frégate, haar lippen nog eens vuurrood en haalde haar ronde van een spiegeltje voorziene poederdoosje tevoorschijn om haar neus te poederen. Mijn moeder was een mooie vrouw naar wie de mannen graag keken. Mijn vader stak z’n zoveelste Lucky Strike op. Dat was zo in die tijd. Auto’s stonden blauw van de rook omdat de vaders rookten. Ze wisten toen nog niet die vaders wat ze hun kinderen aandeden. Daar hadden ze geen boodschap aan. Op een avond was ik, terwijl ik aan het spellen was en we over het Hofplein reden, met stomheid geslagen. Mijn moeder begon opgelucht adem te halen. Dat kind z’n mond stond eindelijk even stil. We waren die middag en vooravond bij mijn tante en oom aan de Hoofdweg geweest en hadden toe gele en bruine vla gekregen. Op hetzelfde bord. Ik was er nog misselijk van. Ik had geen hekel aan vla, maar wel aan vla die van hetzelfde bord gegeten moest worden als waar de aardappels, vlees en jus op hadden gelegen. Ik raakte opgewonden. ‘Wat is dat mamma?’, vroeg ik. Ik mocht tijdens het rijden mijn vader niets vragen omdat dat gevaarlijk was. Een bestuurder mocht je niets vragen.  Terwijl wees ik naar een enorme gestalte die zich ter hoogte van het Hofplein op een heel hoge fiets voortbewoog. ‘Maar m’n lieve kind, dat is de reus van Rotterdam, de grootste man van Nederland’.  ‘Weet jij Anton, hoe lang hij is? Dat vraagt dat kind van ons’. Anton gaf geen antwoord. Hij was te druk met het autorijden. Hij reed niet elke dag door Rotterdam. Hij moest zijn hoofd erbij houden. Een medepassagier mocht nu eenmaal niet met de bestuurder praten of vragen aan hem stellen. Dat was de regel. Ik verdenk mijn vader ervan dat hij niet wist dat de reus wel twee meter zevendertig lang was, dat hij Rigardus Rijnhout heette en een schoenmaat 62 had. Hij zweeg daarom wijselijk. We waren  toen nog allemaal onwetend van het feit dat de reus van Rotterdam in 1959 zou sterven en dat dat het jaar zou zijn dat de tweede Rotterdamse reus in mijn leven zou komen.

De SS Rotterdam

Mijn enige broer, die bijna tien jaar ouder was dan ik, was niet alleen een goed zwemmer maar ook een goed zeiler. En bij een goed zeiler hoort een zeilboot en die had hij. Een 16m2 of vergrote BM. Een mahonie lattenboot compleet met een gaffeltuig en een sierlijk gemaakte gebogen bank in de kuip. Mijn broer leerde me zwemmen. In het Sportfondsenbad in Schiedam omdat er in Vlaardingen geen overdekt zwembad was. Zeilen leerde ik ook van hem. In die tijd leerde hij in het zwembad een Schiedams meisje kennen dat niet alleen heel goed kon zwemmen maar ook een prachtig figuur had.  Hij was gek op haar figuur, zei hij tegen me. Vanaf die tijd waren we vaak met z’n drieën  in het zwembad. Ik mocht van hem thuis niet over Corrie praten. Zo heette dat meisje met dat mooie figuur die zo goed kon zwemmen. Waarom begreep ik niet. Ook niet waarom mijn ouders er bij mijn broer op stonden dat hij mij meenam om te zwemmen of te zeilen. Mijn moeder zei dan tegen mij: ‘Jij moet op ze passen’. Angstvallig bleef ik in hun buurt maar het ging ook wel eens mis. Dat gebeurde op die keer dat we op een zondag dag gezeild hadden over de Vlaardinger Vaart naar het Bommeer en terug. Mijn broer had het zo uitgekiend dat we niet te laat in de middag zouden terug te keren. Hij zei die middag tegen mij: ‘Wij blijven nog even aan boord, maar waarom ga jij niet even langs bij onze oom en tante aan de Hoogstraat? Oom Maarten was een broer van mijn moeder en slager van beroep. Op zaterdag haalden we vlees bij hem. Mijn tante stond dan ook in de zaak. Zij sneed de vleeswaren. ‘Dat is leuk.  Dan zie je Jan en Evert ook.’ Jan en Evert waren mijn neefjes. Neefjes van mijn leeftijd. Daar speelde ik graag mee. Maar vaak kwam het niet van spelen op de zondagmiddag. We werden door oom en tante meestal naar de bioscoop gestuurd met een kwartje omdat ze ook wel eens even alleen wilden zijn. Ze zaten dan aan de eettafel met hun benen op een tweede stoel bij te komen van de maaltijd en de drank. Lekker uitrusten van de drukke week. Ze waren doodop.

Toen we in 1957 definitief naar Apeldoorn verhuisden bleef de BM van mijn broer in de jachthaven in Vlaardingen liggen. Hij zeilde daar met Corrie alleen nog in de weekenden. Maar nu zonder mij. We woonden inmiddels in Apeldoorn aan het Kanaal. De vader van Corrie had mij een houten kano cadeau gedaan. Als compensatie voor de zeiltochten. Hij wilde van mij een waterrat maken.  Ik peddelde daarmee door het Kanaal.  Maarten mocht inmiddels met Corrie samen zijn zonder dat ik mee hoefde. ‘Ze zijn verloofd’, zei mijn moeder en dan hoeft niemand meer op ze te passen. Mijn broer studeerde in 1959 af en zou voor z’n nummer opgaan. Zo heette de dienstplicht. Iedere jongen moest een tijd in het leger dienen. Zeilen in Vlaardingen zou daarna te lastig worden. Corrie kwam ook regelmatig naar Apeldoorn en bleef bij ons slapen.  Als mijn broer geen dienst had konden ze beter op het Veluwemeer gaan zeilen. De kazerne in Nunspeet, waar Maarten gelegerd was, was dichtbij het Veluwemeer. Mijn broer besloot de BM in Vlaardingen op te halen en naar Apeldoorn te brengen. Corrie moest en ik mocht mee. Ik was het kleine broertje. In 1959, op de vrijdag voor Pinksteren reisden we van Apeldoorn naar Vlaardingen. Mijn broer zette zijn Volkswagen Kever bij de jachthaven in Vlaardingen. Die zou hij later ophalen. Nu moest eerst de boot naar Apeldoorn worden gezeild. Hij had een buitenboordmotor gekocht. Een Evinrude. Voordien hadden ze zich zonder gered, maar op de Maas zou een motor nodig zijn. Mijn broer wist dat allemaal. Ik was daar nog te jong voor om dat te weten. De volgende dag, nadat we geschut waren in de sluis tussen de vaart en de Oude Haven in Vlaardingen, voeren we de Maas op. Het water was er onrustig en donkerbruin. Er waren hoge korte golven door de scheepvaart. De BM werd telkens opgetild en sloeg bij elke golf met een klap op de golven. Ik was bang, doodsbang maar durfde het niet te bekennen aan mijn grote broer. Misschien zou ik hem ook wel bang maken. Dat zou zijn zelfvertrouwen kunnen schaden. Dan zag alles er nog beroerder uit, dan het er al uitzag. ‘De boot is niet op dit soort golven gemaakt. Het is een lattenboot gemaakt voor de Friese meren’, zei mijn broer. Ook mijn toekomstige schoonzusje ging steeds benauwder kijken. Ze was toch wel wat gewend. Mijn broer zei me onder het zeil in de kuip te gaan zitten. Als we de Maas gehad hadden, mocht ik weer boven komen.  Ik rilde onder het dekzeiltje. Het was koud op die meidag. We bereikten al klappend op de golven Schiedam en vervolgens Rotterdam. Omdat ik maar af en toe even mijn hoofd onder het dekzeil durfde uit te steken weet ik niet hoe we precies gevaren zijn, maar op een gegeven moment hoorde ik geen gepruttel meer. De Evinrude had de geest gegeven. We hadden alleen nog een peddel. De BM lag op dat moment niet ver van de ankerketting van een enorm schip vandaan. Mijn broer riep naar Corrie dat hij er naartoe zou peddelen. ‘Die ankerketting is onze laatste redding’, zei hij. Corrie stond met de pikhaak voorop om in de ketting te haken zodra die onder bereik zou komen. Ze moest er dan een landvast aan vastmaken. Zo heet het touw waarmee je aanlegt.  M’n broer schreeuwde naar z’n verloofde dat ze zich goed aan de voorstag moest vasthouden tijdens het inhaken met de pikhaak. Ze kon dan wel goed zwemmen maar het Maaswater was nog fris en het was er heel diep. Mijn moeder zei later, toen ze het verhaal hoorde, dat de Maas stikte van de bacillen. Dat ze gespeeld hadden met hun leven. ‘Vroeger’, zei ze kon je er wel in zwemmen. Dat had mijn grootvader elke dag gedaan. In de Maas zwemmen. Mijn moeder kon wel zwemmen maar ze hield er niet van om dicht langs het water te rijden. Als we langs de Schie van Vlaardingen naar Leiden reden om mijn tante Anna te bezoeken stond ze altijd doodangsten uit. Ze was bang dat de auto in het water terecht zou komen en ze zou verdrinken. ‘Gelukkig’, hoorde ik mijn broer zeggen. ‘We liggen vast. Ik ga nu de motor repareren en dan varen we verder. Hans, kom jij maar naar buiten dan kun je de ‘Rotterdam’ zien.’ Voor mij rees een enorme indrukwekkende reus op. ‘Dat is het nieuwe schip van de Holland Amerika lijn, de SS Rotterdam, het schip dat vorig jaar te water werd gelaten. Ze zijn het aan het afbouwen. Het gaat in het najaar varen met passagiers.’ Mijn  broer zei het met trots, want hij was niet alleen dol op raketten en de nieuwste typen vliegtuigen, die hij nabouwde en in zijn kamer ophing, maar ook op schepen. Zijn kamer op zolder leek wel een opgehangen vliegveld.  Misschien ging hij nu ook wel een model van ‘de Rotterdam’ bouwen. Ik was er trots op dat het schip de ‘Rotterdam’ heette. In die stad was ik geboren net als mijn moeder en oma, die bij ons in huis was. Mijn broer was in Vlaardingen geboren net als mijn vader. Het repareren van de motor nam veel tijd in beslag. Misschien ging het niet lukken. Mobiele telefoons bestonden nog lang niet. Een marifoon was niet aan boord. Ik moest erop vertrouwen dat mijn broer de motor aan de praat zou krijgen en kalm blijven.  Intussen nam noch de havenpolitie noch iemand aan boord van het schip notitie van ons. Vermoedelijk had niemand ons ook gezien, al zagen we af en toe wel iemand lopen op het dek. In verhouding tot het schip waren we een notendop. Met een bonzend hart van angst, een maag waarop een steen drukte en het gevoel dat mijn moeder nervositeit noemde, wachtte ik af. Het lukte. Mijn broer kreeg de Evinrude weer aan de praat.  ‘Nu wil ik als we dadelijk weer varen een broodje met sardientjes’, zei hij tegen z’n verloofde.  Als op een bevel opende ze zo’n mooi geel sardienblikje met opschriften in rood uit Portugal. De broodjes lagen al in haar schoot. Het openen van het blikje ging met een sleutel. Je moest die in een lip van het blikje steken en dan draaide je er het dekseltje af.  Vaak ging het mis, dat openen.  Als het blikje te warm geworden was spoot de olie eruit en zat je helemaal onder. Nu ging het mis doordat het sleuteltje halverwege bleef hangen en de inhoud doordat de boot op een hoge korte golf sloeg deels op de bodem in de kuip terechtkwam. Mijn broer vloekte. Dat deed hij wel vaker, vloeken. Mijn moeder vond dat niet mooi. ‘De Rotterdam’ verdween langzamerhand uit zicht. De steen op mijn maag ook. Misschien wel door het broodje sardientjes van mijn toekomstige schoonzuster. Ze kon goed broodjes met sardientjes maken. Mijn broer hield van sardientjes en van haar om haar mooie figuur. Die avond zouden we Vreeswijk bereiken. Corrie en ik sliepen in een oud hotel. Mijn broer onder het zeil in de boot in de haven. Ze zouden de BM kunnen stelen. Ik droomde die nacht over het enorme schip dat ik had gezien, de ‘Rotterdam’. Over Jonas en de walvis. Dat verhaal kende ik van de zondagsschool. Ik was Jonas en de walvis was de ‘Rotterdam’. Ik werd verzwolgen, maar ook weer uitgespuwd. De volgende dag scheen de zon en zetten we al zeilend onze tocht naar Apeldoorn voort.

April 2019. Bijna vijftig jaar later. Ik logeer met mijn partner twee nachten in een grote hut op het Lower Promenadedeck en geniet van het schip in z’n nieuwe hoedanigheid. Ik geniet van de hut, van het verblijf aan boord in de buik van de walvis. Van een deskundige rondleiding door de machinekamers, van het drankje in de Ocean bar, van een diner aan boord met het uitzicht op de skyline van de mooiste stad van ons land, mijn geboortestad.

©Hans Smelik