Hoofdstuk 1 - Poef!

Goud

Hoofdstuk 1 - Poef!

Als er één ding was dat mijn boekenverslaving me geleerd had, dan was het dat duistere steegjes na zonsondergang niet te vertrouwen waren. Al helemaal niet wanneer er lugubere kreten weerkaatsten van de bakstenen muren die zo vettig waren dat je er frietjes tegen kon bakken. Een normaal iemand zou het gejank negeren en zich snel uit de voeten maken. En dat was exact wat ik was, normaal.

“Vandaag niet”, fluisterde ik Magere Hein toe. Het dodenland zou nog even op me mogen wachten. Geheimzinnige steegjes en de bijhorende avonturen liet ik maar al te graag aan anderen over. De beste avonturen beleefde je wanneer je veilig en lekker warm ingeduffeld zat met je neus in een boek.

Ik verbrak mijn record snelwandelen met een veelvoud van drie en vertraagde pas wanneer ik drie appartementsblokken verder was. In de verte kon ik de twee heilige bogen al spotten die als een vuurtoren boven de andere gebouwen uitstak. Hier is de veilige haven, leek de gouden ‘M’ te zeggen.

Ik viste mijn telefoon uit mijn broekzak om Elia te laten weten dat ik binnen een vijftal minuten bij de McDonalds zou aankomen, maar ze was me voor.

Maak er maar zes van.

-Elia

Ik voegde twee extra burgers toe aan het mentale boodschappenlijstje dat Elia daarnet in mijn hoofd gestompt had. Nachtelijke uitstapjes naar fastfoodketens behoorden niet echt tot mijn gebruikelijke activiteiten, maar voor je beste vriendin moest je wat overhebben. Als Elia zes hamburgers, tien nuggets, drie porties frietjes, en twee liter cola nodig had om haar gebroken hart te overkomen, dan zou ze het krijgen.

Het enige obstakel dat zich nog tussen mezelf en de burgers bevond, was de drukke baan die ik moest oversteken. De geur van frietjes kwam me al tegenmoed gevlogen en deed me watertanden. Misschien kon een extra portie frietjes voor mezelf er nog wel bij.

Ik liep naar het dichtstbijzijnde zebrapad en drukte op de voetgangersknop. Aan de overkant telde een klein scherm met ledverlichting de seconden af. Het voelde net alsof ik weer op de schoolbanken zat en gretig de seconden aftelde tot de bel het begin van de vakantie zou inluiden.

Na twintig seconden – het leek meer twintig uur – maakte het rode handje plaats voor een groen stokfiguurtje, het startsein voor me om over te steken. Het was een brede straat, met zes rijbanen, drie voor elke richting. Ik had net de vierde rijbaan overgestoken wanneer een ronkende motor en piepende banden mijn aandacht trokken. Ik keerde mijn hoofd in de richting van de oorzaak van het geluid, waar ik oog in oog stond met een paar verblindende koplampen van een taxi die aan zestig per uur naar me toe raasde.

 

“Het is jouw fout.”

“Mijn fout? Deino heeft het oog, het is haar fout.” 

“Wat? Ik heb het niet. Perso heeft het.”

“Leugenaar, het is toch duidelijk dat Pemphredo het heeft? Blinde mol.”

“Wie noem je een blinde mol, tandloze worm.”

“Wacht, ik dacht dat Deino de tand had, wie heeft hem dan?”

Ik kon geen greintje logica vinden in het gesprek, al kon dat wel iets te maken hebben met de hoofdstoot die de taxi me gegeven had.

“Uhm, excuseer”, mompelde ik terwijl ik probeerde recht te kruipen. “Wie zijn jullie? Ben ik aangereden?”

De drie vrouwen draaiden zich synchroon mijn kant op. In het licht van de koplampen kon ik zien dat ze gekleed waren in grijze lappen stof, alsof ze drie heksen uit een sprookje waren en verdwaald waren op weg naar hun hutje in het bos.

“Ach, kijk nu eens”, zei de eerste.

“Het leeft nog”, fluisterde de tweede.

“Goden zij dank”, mompelde de derde.

“Sorry, maar wie zijn jullie?”, herhaalde ik. De gezichten van de drie vrouwen bleven verborgen in de schaduw.

“Deino.”

“Perso.”

“En Pemphredo. De Grijze Zussen, tot je dienst.”

Daar was ik niet veel wijzer mee, behalve dan dat ze een soort van tweederangs bejaarde Power Puff Girls waren. Ik sprong weer op beide voeten en klopte het stof van mijn broek af. Wat gek? Mijn favoriete zwarte jeans was helemaal besmeurd met goudkleurige glitter.

“Kijk”, zei een van de vrouwen – of het nu Deino, Perso, of Pemphredo was bleef me een raadsel –. “De mist. Kijk dan toch.”

“Hoe moet ik kijken? Ik heb het oog toch niet… Wacht eens even. Perso, dus jij hebt het oog!”

“Ik ben Perso, het was Deino die sprak.”

Hoe lang ging dit gekibbel nog doorgaan? Ik sloop een paar passen zijwaarts, klaar om weg te sprinten als ik mijn kans zag.

“Het maakt niet uit wie het oog heeft. De mist heeft gekozen. De voorspelling komt uit.”

De drie vrouwen draaiden zich weer naar me toe. Ze hielden eindelijk op met ruziemaken, al jaagden ze zo me de stuipen op het lijf.

“Welke voorspelling?”, zei ik. “Waar hebben jullie het over?”

Rillingen kropen langs mijn ruggengraat als een nest van mieren dat hun koningin had verloren. Een van de vrouwen opende haar mond. Haar stem, die net nog schor en zagend had geklonken, was nu laag en monotoon. Het was alsof alle emotie uit haar lichaam was gesijpeld.

“Een hart van goud en een gouden hart. De mist van goud kiest een nieuwe start.”

Haar twee zussen vulden haar aan.

“Laat je niet verleiden, want wie leeft en wie sterft.”

“Staat al eeuwen in het lot gekerfd.”

Anders gezegd, de gouden glitter kiest een soort van uitverkorene die een nieuwe start mag beginnen, maar toch niets kan veranderen. Nee, bedankt. Het was tijd om mijn biezen te pakken. Ik sprintte er vandoor, in de omgekeerde richting van de McDonalds. Elia en haar liefdesleven stonden bijna altijd bovenaan mijn lijst van prioriteiten, maar vandaag moest ze het toch maar met een tweede plaats doen.

“Ren maar zo hard als je kan”, riep een van de vrouwen me na. “Het lot is toch sneller.”

Haar woorden moedigden me juist aan om sneller te gaan lopen. Voorspellingen en dergelijke mikmak waren niet voor me weggelegd. Ik, een uitverkorene van gouden confetti? Geen denken aan.

Maar de confetti had andere gedachten. Bij elke pas die ik nam, verscheen er meer glitter die zich aan me vasthechtte. Het bedekte mijn kleren en handen, mijn haren en gezicht. Geen enkel plekje bleef gespaard. Het gouden goedje drong mijn lichaam binnen, eerst langs mijn lippen, daarna mijn neus, oren, en zelfs ogen. Ik kon niets meer zien behalve een wolk van goud.

Ik probeerde het spul nog van me af te vegen, maar het leek eindeloos te zijn. Toch bleef ik wrijven, harder en sneller, tot mijn hand plots niets dan lucht raakte. Ik hief mijn andere hand de lucht in. Doorheen de glitterwolk kon ik nog net zien hoe mijn onderarm eindigde in een gouden stomp. Mijn linkerhand was weg. Poef!

De rest van mijn ledematen volgde al snel. Een voor een verloor ik er de controle over, tot er niets meer over was dan een hoopje stof. Het deed geen pijn, maar ik kon niet zeggen dat het een lachertje was om je hele lichaam te zien oplossen als een pakje instant soep in kokend water. De laatste gedachten die in mijn hoofd – of wat ervan overschoot – ronddwaalden, waren Elia en de hamburgers die haar nooit zouden bereiken. Het spijt me, Elia, de burgers zouden voor een andere keer zijn.

Hoofdstuk 2 - Wat je van beren leren kan