Denkend aan de dijk

Denkend aan de dijk

Denkend aan de dijk

In mijn dorp was alles helder: We vreesden het water en beefden voor God. De angst was sterker dan de liefde en alleen de dijk was groter dan de kerk. Maar op een dag, toen de wolken zo laag over de kerkspits joegen dat ik ze bijna aan kon raken, begon ik te twijfelen. Ik was niet meer bang voor de zee en het water. Ik wilde weten waar de wind vandaan kwam en wat het water van mij wilde. Ik moest weten of ik kon zwemmen of dat ik zou verdrinken.
Ik zal het nooit vergeten want het was de dag waarop ik jou ontmoette.

Je droeg schoenen met harde hakken en je stappen klonken dapper op de klinkers van de dijk. De golven glinsterden in je ogen terwijl de huizen verder sliepen met de luiken dicht. Je vingers gleden in mijn hand en we rolden samen door het versgemaaide gras. Ik rook de bloemen in je haar en proefde van de allerliefste plekjes in je warme schoot. Zo likten we elkaars onschuld open, je nam mij daarna schokkend met je heupen in je op. Nat van elkaars liefdeszweet waren we daarna de dijk opgeklommen en hadden het dorp achter ons gelaten.

Die dag was zestig jaar geleden. Op de dijk waait mijn gedachte aan jou op, als een zomerjurk. Je kijkt. Wenkt me, terwijl je jouw jurk bedwingt. Je glinsterende ogen zeggen: ‘Ga je mee? Wil je met me komen spelen in de eindeloze golven van de zee?’