1 - 4

Ingeslagen weg

1 - 4

1

 

Vrijdag 20 januari

 

Ik trapte op de rem en Bram schoot naar voren. Niet omdat ik zo hard reed, maar omdat hij losjes op de passagiersstoel hing.

‘Oepsie!’ Zijn stem schalde door de auto en hij raapte de rugzak op die van zijn schoot was gevallen. ‘Waarom staan we stil?’

Ik veegde druppeltjes speeksel van mijn wang. ‘Dáárom.’ De koplampen verlichtten een bult op de weg.

Hij volgde mijn hand en tuurde door de voorruit. ‘Het sneeuwt,’ stelde hij verwonderd vast. Alsof dat niet al de hele dag het geval was.

Ik boog over het stuur en tuurde naar de donkere bult die scherp afstak tegen al het wit. De verleiding om door te rijden was groot. Mijn oude Defender kon er wel langs via de berm, hoewel de sneeuw eventuele obstakels zoals paaltjes bedekte. Maar ik zou nooit zomaar kunnen doorrijden zonder mezelf ervan te hebben verzekerd wat de doorgang blokkeerde. Ik schudde de herinnering af aan een andere weg, jaren geleden. Nee, hier lag geen mens.

Ik zette de terreinwagen in z’n vrij en trok de handrem erop. ‘Jij moet in de auto blijven, oké? Kijk me aan, Bram. Heb je me begrepen?’

Hij giechelde en ik betwijfelde of hij zou doen wat ik hem opdroeg. Ik had nog nooit eerder met hem alleen in een auto gezeten. Sterker nog, ik was nog nooit alleen geweest met hem, hoewel ik hem al mijn hele leven kende.

‘Blijf zitten.’ Ik liet me uit de auto glijden en zakte tot mijn enkels weg in de sneeuw. De wind tilde mijn haar op en ik veegde het uit mijn gezicht terwijl ik de capuchon over mijn hoofd trok. Ik leek wel een hulpdienst vandaag. Eerst liet ik me overhalen om de geestelijk gehandicapte broer van mijn ex op te halen van de zorginstelling waar hij woonde, nu trotseerde ik een sneeuwstorm om te kijken wat er voor de auto lag. Niet dat ik iets beters te doen had. Maakte ik me ook nog eens nuttig, zoals mijn vader had gezegd toen hij me op pad stuurde.

De met een dun laagje sneeuw bedekte bult bewoog en ik deinsde terug. Als het maar geen gewond wild zwijn was. Ik had er nu al spijt van dat ik was uitgestapt. In tegenstelling tot mijn vader kreeg ik niet bepaald een kick van het helpen van anderen. Als hij me niet had overgehaald om Bram te halen, had ik nu met een bord pasta op de bank gezeten om de rest van de avond afleveringen van mijn favoriete serie te kijken.

‘Wat doe je, Sophie?’

Voordat ik hem kon tegenhouden zwalkte Bram richting de bult.

‘Terug in de auto,’ beval ik. Tevergeefs.

Hij boog zich eroverheen. ‘Waarom zit die meneer in de sneeuw?’

Meneer? Ja, ik herkende nu ook de vorm van een menselijk hoofd. Zo gek was die jongen toch nog niet.

‘Hallo! Slaap je?’

Als dat het geval was, had het volume van Brams stem hem nu wel wakker gemaakt. Ik duwde Bram aan de kant en knielde naast de persoon neer. ‘Meneer? Kunt u mij horen?’

Met gesloten ogen zat de man op zijn knieën, met zijn rug naar ons toe. Zijn blote handen steunden in de sneeuw, alsof hij had gekropen en hier tot stilstand was gekomen. Ik duwde de capuchon van zijn sweater aan de kant om mijn hand in zijn nek te kunnen leggen. Zijn ogen vlogen open toen ik zijn huid aanraakte en ik tuimelde van schrik bijna achterover.

‘Sophie brengt mij naar huis, want ik ben jarig. Ga je ook mee?’ Bram drukte zijn neus bijna tegen die van de man aan en ik trok aan zijn arm.

‘Ga eens aan de kant. Deze meneer is ziek, laat hem maar met rust. Weet je wat, ga maar kijken of er snoepjes in het dashboardkastje liggen.’ Als je Bram ergens blij mee kon maken, dan was het met zoetigheid. Hij stiefelde weg en ik richtte me weer tot de man, die me glazig aan keek. ‘Kunt u staan?’ Hij droeg niet meer dan een trui en een trainingsbroek waar klonten sneeuw aan hingen. Hij moest op z’n minst onderkoeld zijn. Ik deed een poging om overeind te komen en de man mee omhoog te krijgen, maar hij gaf niet mee. ‘Bent u gewond? Zal ik een ziekenwagen bellen?’ Ik tastte in mijn jaszak naar mijn mobiel. Het zou een hele toestand zijn om een ambulance op dit bosweggetje te krijgen. De sneeuwstorm had het verkeer in en om de stad compleet lamgelegd, daarom was ik met mijn terreinwagen over een afgelegen zandpad gereden. Misschien kon ik die kerel in de auto krijgen en terugrijden naar het tehuis van Bram voor eerste hulp. Maar hoe kreeg ik hem überhaupt overeind als hij daar zelf niet toe in staat was?

Hij klappertandde. Ik moest iets doen. En snel.

‘Ik pak een deken voor u en ik bel 112.’ Ik sprong op en haalde mijn mobiel uit mijn zak. Bram zat in de auto met een vies gezicht te kauwen op een mueslireep die iets te lang in het dashboardkastje had gelegen. Ik ploegde door de sneeuw naar de achterkant van de auto. Met de ene hand hield ik de telefoon tegen mijn oor, met de andere trok ik het achterdeurtje open. Drie piepjes van laag naar hoog gevolgd door een mechanische vrouwenstem kondigden aan dat er geen verbinding tot stand gebracht kon worden.

Natuurlijk. Koos ik voor de verandering eens niet voor de gemakkelijkste weg, iets wat me de laatste tijd vaak werd verweten, werd het me gelijk extra lastig gemaakt.

Ik zette een knie in de achterbak en tastte de bodem af tot ik de deken had gevonden en klemde die onder mijn arm. Ondertussen keek ik op het schermpje om de verbinding te checken en gooide de deur dicht. Een gestalte er pal achter liet me schrikken. Even dacht ik dat het Bram was. Tot hij een stap dichterbij zette en zijn hand uitschoot naar de mijne. De man, die net nog halfdood in de sneeuw had gezeten, griste nu de telefoon uit mijn hand en raakte me met zijn schouder. Mijn rug botste tegen het reservewiel op de achterdeur. In het rode schijnsel van de achterlichten blonk iets ter hoogte van mijn middel. Een mes, vlakbij mijn buik. Ik hapte naar adem. O god.

 

2

 

De man wankelde. Zijn bovenlichaam drukte tegen het mijne. Er kletterde iets langs de auto naar beneden. Het mes of mijn telefoon? Hij hief zijn arm en hitte golfde door mijn lijf toen het mes omhoogkwam. Het voelde alsof mijn keel werd dichtgeknepen. Ik wilde gillen, maar er kwam niet meer dan een kreun uit mijn mond. Ik kneep mijn ogen dicht en zette me schrap voor de pijn. Maar die bleef uit. Geen steek in mijn nek, geen metaal dat mijn huid openhaalde. Ik opende mijn ogen en zag zijn gezicht heel dichtbij.

‘Je moet me helpen,’ zei hij schor. De vuist waarin het mes zat geklemd steunde tegen de auto, een paar centimeter bij mijn gezicht vandaan.

Ik slikte. ‘Neem de auto maar mee. De sleutels zitten in het contact.’

Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Nee. Sorry.’ Het was meer een zucht dan een hardop uitgesproken zin. ‘Ik kan niet…’

Nu pas viel me op dat hij hijgde. Hij leunde tegen me aan. Gewond, verzwakt. Maar te zwaar om hem van me af te kunnen duwen. Ik voelde zijn adem langs mijn wang strijken en rook zijn lichaamsgeur. Er trok een rilling door me heen en ik draaide mijn gezicht weg.

‘Help me,’ fluisterde hij.

‘Neem de auto.’ Mijn stem trilde en zweet kriebelde in mijn nek.

Een ijskoude, maar welkome windvlaag blies mijn open jas in toen hij zich afzette en me ruimte gaf. Snel deed ik een stap opzij, maar voordat ik weg kon schieten, klemden zijn vingers om mijn pols. Mijn ogen volgden het mes dat zich ter hoogte van mijn middel ophield.

‘Jij gaat mij helpen,’ zei hij.

 

Goddank dat Bram die mueslireep niet weg kreeg en daar al zijn aandacht op had gevestigd. Hij schoof zonder morren van de passagiersstoel naar de middelste zitting op de voorbank, plaatsmakend voor de man die zich met een van pijn vertrokken gezicht met mijn hulp naar binnen hees. Ik had al door dat hij gewond was aan zijn been toen hij leunend op mij naar de voorkant van de auto was gestrompeld, maar nu zag ik hoe de binnenverlichting een bloederige, rafelige wond aan de binnenkant van zijn bovenbeen bescheen. Huiverend bij de gedachte dat zijn bloed misschien op mijn handen zat, veegde ik ze af aan mijn broek toen hij mij losliet.

‘Je hebt een dokter nodig. Ik kan je naar het ziekenhuis brengen,’ bood ik aan.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Waar moet ik dan naar toe rijden?’ Mijn stem schoot omhoog en even ging het door me heen dat ik de deur moest dichtknallen en heel hard moest wegrennen. Mijn telefoon zat dan wel in zijn zak, ik kon op zoek gaan naar een huis in de buurt en de politie alarmeren. Hij kon amper op zijn benen staan, die kwam me niet achterna. Maar de politie zou niet snel ter plaatse zijn. En dan zat Bram daar met die vent. Ik had de laatste tijd al zoveel verprutst, ik zou het mezelf nooit vergeven als hem iets zou overkomen dankzij mij.

‘Stap in. We moeten nú gaan,’ zei hij. Het mes rustte op het been dat niet gewond was. Hij dreigde er niet direct mee, maar de blik in zijn ogen en de verbeten trek om zijn mond toonden een vastberadenheid die me in beweging zetten. Ik gooide het portier dicht en begaf me met een zwaar gevoel in mijn maag naar de bestuurderskant. Waarom had ik mijn eerste ingeving niet gevolgd om langs die bult op de weg te rijden?

De ruitenwissers veegden het laagje sneeuw op de voorruit weg en ik zette de blazers vol aan. Ondanks de diepe sneeuw zette de Defender zich moeiteloos in beweging. Een van de weinige voordelen van deze oude Landrover was dat die me overal kon brengen waar ik heen wilde, maar nu vervloekte ik die eigenschap. Had ik mijn Golfje nog maar gehad, dan was niemand op het idee gekomen dat ik Bram kon ophalen voor zijn verjaardagsfeest bij mijn ex-schoonouders. Maar de Golf was bij Roel achtergebleven toen ik hem verliet, omdat mijn vader kwam aanzetten met dit ‘geschenk’ dat in zijn garage stond weg te roesten. Zonder het goedbedoelde, maar gedrocht van een cadeau had ik nu in een warm huis gezeten en morgen misschien een berichtje zien langskomen van een van mijn collega’s over een bevroren lijk onder een laag sneeuw op een bosweggetje. Nu was ik hard op weg om zelf het onderwerp van een nieuwsbericht worden.

‘Op!’ Bram overhandigde mij het plasticje van de reep, dat ik in mijn jaszak propte. Hij dook voorover en rukte aan zijn tas die naast de voeten van de man stond. Ik greep de kraag van zijn jas beet en trok hem overeind. ‘Laat je tas maar even staan.’

‘Maar ik moet kijken of…’

‘Nee, Bram. Alles zit erin, je hoeft niet te kijken. Gewoon even blijven zitten, oké?’

‘Okééé!’

Met op elkaar geklemde kaken zoog de man lucht naar binnen toen Bram overeind kwam en tegen zijn been stootte. De Defender had dan wel drie zittingen voorin, erg breed was het niet.

Bram leek het mes niet op te merken, of zag er in ieder geval geen dreiging in en daar was ik blij om. Ik had geen idee hoe hij met angst zou omgaan. Vanwege hem deed ik mijn best om me zo gewoon mogelijk te gedragen, maar ik had plakkerige handen en een hartslag van honderdzestig. Dat mes en die ogenschijnlijke kalmte van die man voelden als een tijdbom.

Hij haalde mijn telefoon uit zijn zak. Het scherm lichtte op, maar was vergrendeld. Ik noemde de code voordat hij ernaar kon vragen. ‘Ik had net geen bereik,’ voegde ik eraan toe.

Hij toetste de code in en slaakte een gefrustreerde zucht. ‘Nog steeds niet.’

We kwamen bij een T-splitsing. Het leek hem niet uit te maken waar we heen gingen, dus sloeg ik linksaf, richting de bewoonde wereld.

‘Hoe heet jij?’ vroeg Bram.

‘Vince.’

‘Ik heet Bram. Ik ben jarig. Daarom krijg ik zo taart, met slagroom. Waar woon jij?’

Ik wilde zeggen dat hij niet tegen hem moest praten, maar de man antwoordde.

‘In de Wittenberg.’

Mijn hart leek een slag te missen.

‘Is dat ook een tehuis?’ vroeg Bram vrolijk verder.

‘Zoiets.’

Ik kneep in het stuur. Ergens in mijn achterhoofd had ik het verband met de Wittenberg al gelegd. Welke andere verklaring kon er zijn voor het feit dat een gewonde man zonder jas met een mes op de weg lag in dit weer, in een gebied waar naast een enkel huis niets anders stond dan een gevangenis?

‘Wie wonen daar dan?’

‘Daar wonen… stoute mensen.’

‘Ben jij ook stout?’

‘Dat vinden sommigen, ja.’

‘Dan krijg jij zeker geen taart als je jarig bent?’

Ik blies de adem die ik ongemerkt had ingehouden langzaam uit. Ik had een voortvluchtige gevangene uit de Wittenberg in mijn auto zitten. Een wanhopige man die niets te verliezen had. Wat kon ik doen om ons te redden, behalve gewoon doen wat hij me opdroeg?

‘Maak je geen zorgen, oké? Er gebeurt jullie niets.’

Ik begreep dat hij het niet langer tegen Bram had en wierp blik opzij. Met zijn ogen die verrassend helder stonden gaf de man, Vince, me een waarschuwing: er gebeurt niets zolang jij je gedraagt. Mijn wangen gloeiden nog meer dan ze al deden van de koude wind en ik keek vlug weer voor me. ‘Je kunt mijn auto meenemen,’ zei ik. ‘Laat ons alsjeblieft gaan.’

‘Ik kan niet rijden met dit been. Sorry.’

‘Laat Bram dan gaan. Alsjeblieft. Hij kan ontzettend lastig worden als hij zijn dagelijkse routine niet volgt.’ Mijn stem klonk zelfverzekerder dan ik me voelde.

‘Niet nu. Gewoon doorrijden, oké?’ Het klonk als een vriendelijk verzoek.

Ik haalde diep adem en probeerde me op de weg te concentreren die door de sneeuw niet van de berm was te onderscheiden. Ik wilde niet denken aan wat er kon gebeuren als hij ons niet meer nodig achtte en klampte me vast aan de gedachte dat de bewakers van de Wittenberg en de politie massaal naar hem op zoek zou zijn. Dan waren ze in de buurt. Bij de volgende kruising sloeg ik de weg in die in de richting van de Wittenberg leidde. Hoe dichterbij, hoe groter de kans op politie.

Terwijl Bram aan één stuk door wauwelde over zijn verjaardagsfeestje, bleef Vince maar op de telefoon kijken. Zijn binnensmondse gevloek maakte duidelijk dat we nog steeds geen bereik hadden. Ik vroeg me af of de lijnen soms overbezet waren door de sneeuwstorm of dat de sneeuw zelf technische storingen veroorzaakte.

‘Hé, jij hebt bloed,’ merkte Bram ineens op. ‘Doet dat zeer?’

‘Laat die meneer maar.’

‘Ga maar rechts,’ zei Vince bij het volgende zijweggetje, zodat we precies een rechthoek hadden gereden en we het zandpad weer in sloegen waar ik hem had gevonden, het pad dat ik nooit had moeten nemen. Van de Wittenberg vandaan.

Ik slaakte een trillende zucht. Hij had gevoel voor richting. ‘En dan? Je moet me zeggen waar ik heen moet rijden.’

‘Ik weet wat: naar papa!’ Bram stak triomfantelijk zijn wijsvinger in de lucht en liet die eerst voor mijn ogen dansen en bewoog die toen in de richting van de man. ‘Want die is–’

‘Houd je mond.’ Snel pakte ik zijn hand en drukte die naar beneden. Mijn hart klopte in mijn keel en de warmte sloeg door me heen. Maar Bram de mond snoeren was geen gemakkelijke opgave.

‘Mijn papa kan dat maken. Kijk.’ Hij bukte om zijn broekspijp op te stropen. Vince kromp in elkaar toen hij weer een beuk kreeg.

‘Dat hoeft hij niet te zien. Ga eens recht zitten.’

‘Ja, maar dan kan hij zien hoe papa míjn been beter heeft gemaakt.’

Even kneep ik mijn ogen dicht. Bram had het er altijd over dat hij dokter wilde worden, net als zijn vader. Als kind had hij zijn been flink opengehaald en hij had zo’n stennis gemaakt op de eerste hulp dat hij door zijn eigen vader geholpen wilde worden, dat die uiteindelijk van de afdeling cardiologie was gehaald. Sindsdien liet hij geen gelegenheid voorbijgaan om het litteken te tonen als een oorlogswond.

Ik gluurde opzij om Vince’ reactie te peilen. Hij staarde naar het dashboard, hij moest wel hebben begrepen dat Brams vader arts was. Het beangstigde me dat hij niets zei.

‘Ik moet naar een dokter,’ zei hij. ‘Kunnen we naar hem toe?’

Nee. Ik wilde niet nog iemand in gevaar brengen. Zeker niet mijn ex-schoonvader. Ik kende Pieter Boomkamp en zijn gezin al mijn hele leven, als goede vriend van mijn vader. Ze hadden elkaar leren kennen tijdens hun studie medicijnen. Ik had nooit begrepen waarom ze het zo goed met elkaar konden vinden met hun karakters die zo ver uit elkaar lagen. De vader van Bram en Roel wilde onbaatzuchtig mensen helpen, gaf er niet om wat anderen van hem vonden en was een tikkeltje verstrooid. Mijn vader daarentegen, tja, die was anders.

‘Woont hij in de buurt? Kunnen we naar hem toe?’

Het klonk meer als een verzoek dan een bevel. Wederom haast vriendelijk. Hij kwam niet op me over als een gestoorde gek – de Wittenberg was ook geen tbs-kliniek maar een ‘gewone’ penitentiaire inrichting. Dat idee gaf me net voldoende moed om hem tegen te spreken. ‘Nee. Ik zal je naar de eerste hulp brengen.’

‘Luister, ik wil jullie niets aandoen. Ik heb je alleen even nodig, oké? Als het bloeden is gestopt, kan ik alleen verder. Breng me bij hem en je bent zo van me af. Dat beloof ik.’

3

 

Ik parkeerde naast de ondergesneeuwde stationwagen van mijn vader. Tevergeefs had ik geprobeerd om Vince ervan te overtuigen dat Pieter vanavond dienst had in het ziekenhuis, maar Bram corrigeerde me doodleuk en zei dat zijn vader thuis op hem wachtte met taart. Toen Vince de druk opvoerde door een arm om Bram heen te slaan en het mes gevaarlijk dicht bij zijn keel te laten rusten, had ik mezelf gedwongen gevoeld om met een ander voorstel te komen.

Mijn ouderlijk huis, waar ik sinds enkele weken weer woonde, stond niet ver van de plek waar ik Vince had gevonden, in Wageningen-Hoog, een rustig, bosrijk villawijkje. De huizen waren omgeven met dichte struiken, geen kans op nieuwsgierige buren die iets zouden opmerken toen ik Vince hielp uit te stappen. Hij leunde zwaar op me terwijl we door de opgewaaide sneeuw naar het huis schuifelden.

Ik voelde hem verstijven toen Willem, de Mechelse herder van mijn vader, blaffend bij het raampje naast de voordeur opdook. Bram begon blij tegen Willem te schreeuwen, hij aanbad dieren.

‘Hij doet niks,’ zei ik. ‘Het is alleen maar een hoop herrie.’ Willem was ooit aangeschaft om inbrekers af te schrikken en die taak volbracht hij prima met zijn wilde geblaf, maar voor bezoekers die op uitnodiging binnenkwamen was hij poeslief.

Nog voordat ik met trillende handen de sleutel in het slot kon steken, verscheen het silhouet van mijn vader achter de matglazen ruitjes in de deur. Mijn hart bonkte in mijn keel terwijl mezelf dwong te glimlachen.

‘Hé kerel, gefeliciteerd!’ riep mijn vader toen hij opendeed met zijn hand om Willems halsband. Zijn amicale houding veranderde toen hij zag dat ik nog iemand bij me had.

‘Hoi pap, dit is Vince. Hij heeft hier vlakbij een ongeluk gehad en is gewond geraakt. Zou jij even naar hem kunnen kijken? Ik ben bang dat het te lang duurt voordat we hem bij een ziekenhuis krijgen.’ Ik hoopte met heel mijn hart dat mijn vader in het verhaaltje trapte dat ik in de auto aan Vince had voorgesteld. Ik had hem verteld dat mijn vader ook arts was – huisarts, had Bram daaraan toegevoegd, veel minder belangrijk dan cardioloog, vond hij – en dat die dichterbij woonde. En als mijn vader niet wist wat er werkelijk aan de hand was, zou het voor ons allemaal makkelijker zijn, had ik Vince voorgehouden.

‘Dat ziet er niet best uit,’ zei mijn vader toen hij naar Vince’ been keek. ‘Kom binnen.’

Hij liet Willem los. Die snuffelde even aan Vince en draafde achter Bram de kamer in. Mijn vader nam Vince van me over, zich niet bewust van het mes dat in de grote zak van zijn hoodie zat. Ik prees me gelukkig dat Vince akkoord was gegaan met mijn voorstel. Mijn moeder woonde hier al jaren niet meer, dus ik bracht niet een hele familie in gevaar, alleen mijn vader.

Vince werd op de bank geïnstalleerd waar mijn vader direct met zijn onderzoek begon. Vince had me op het hart gedrukt in zijn zicht te blijven, anders zou het snel gebeurd zijn met het toneelstukje. Dus nam ik plaats op de dichtstbijzijnde stoel en trok mijn jas uit.

Na een snelle inspectie van zijn toestand ging mijn vader zijn spullen pakken om Vince te behandelen. Ik vermeed Vince’ blik en keek hoe Willem als een bezetene aan het speeltouw trok dat Bram vasthield, die het uitschaterde van pret, onwetend en niet bang. Ik benijdde hen.

Mijn vader kwam de kamer in met een emmer water waar de damp af sloeg, zijn werktas voor huisbezoeken onder zijn ene arm geklemd, een stapel handdoeken onder de andere.

‘Heb je de Boomkampjes al laten weten dat Bram later komt?’ Mijn vader schoof afstandsbedieningen en boeken aan de kant en stalde zijn spullen uit op de salontafel.

‘Ja, net in de auto.’ Ik hoopte dat Bram genoeg was afgeleid om niet te brullen dat ik loog, maar gelukkig nam Willem hem volledig in beslag met zijn speeltouw. Het plan was geweest dat ik Bram hier naartoe zou brengen en dat mijn vader hem meenam naar de familie Boomkamp. Omdat Pieter Bram niet op tijd kon halen vanwege het verkeersinfarct, had mijn vader gezegd dat ik dat kon doen dankzij die geweldige Defender.

Mijn vader vond het maar onzin dat ik niet meeging naar het verjaardagsfeestje. Dat Roel en ik net uit elkaar waren en dat het hoogst ongemakkelijk zou zijn, kwam niet in hem op. Sterker nog, hij was er nog steeds van overtuigd dat het weer goed zou komen tussen mij en Roel, dat dit allemaal een bevlieging was, want hoe kon ik nou niet willen samenzijn met zo’n perfecte jongen?

Mijn vader zette een schaar in Vince’ trainingsbroek, die met een benauwd gezicht zijn adem inhield. Ik bekeek hem wat nauwkeuriger. Hij leek me niet veel ouder dan ik, hooguit halverwege de dertig. Zijn haar, nat van de gesmolten sneeuw, plakte kleur- en vormeloos op zijn hoofd. Hij had een beurse plek op zijn kaak en een schram onder zijn oog. Was dat buiten gebeurd of had hij in de Wittenberg gevochten? En wat had hij gedaan om daarin terecht te komen?

‘Kun je mij dat aangeven?’ Mijn vader wees op een flesje ontsmettingsmiddel.

Ik reikte het aan en bleef op de rand van de tafel zitten om te kunnen helpen.

‘Hoe heb je je been opengehaald? Prikkeldraad?’

Vince knikte.

‘En wat is er met je arm gebeurd?’

Arm? Het was me nog niet opgevallen, maar nu zag ik dat zijn mouw bij zijn onderarm was gescheurd en nat van het bloed.

‘Glas van de autoruit,’ antwoordde Vince.

De behandeling nam hem zo in beslag dat mijn vader gelukkig niet verder vroeg. Met zijn leesbril op het puntje van zijn neus boog hij zich over Vince en ging geroutineerd te werk. Met een weeïg gevoel in mijn buik wendde ik mijn blik af van de wond. Ik kon niet tegen bloed, in tegenstelling tot mijn zus. Toen we in onze jeugd een tijdje in Afrika woonden waar mijn vader een dorpskliniek runde, stond zij altijd met haar neus bovenop de behandelingen die veelal open en bloot gebeurden, terwijl ik liever op flinke afstand bleef, tot grote teleurstelling van mijn vader.

Het lawaaierige spel van Bram en Willem kwam ten einde, nu de hond op zijn rug ging liggen om geaaid te worden. Op de radio begon het nieuwsbulletin. Uiteraard ging het over niets anders dan de sneeuwstorm die het openbare leven in een groot deel van het land had platgelegd. Als ik vanavond dienst had gehad, zou ik er ongetwijfeld een flink bericht over hebben geschreven voor de website van het regionale dagblad waar ik voor werkte. Maar zolang ik geschorst bleef, zou ik helemaal niets meer schrijven. Arend, mijn chef, moest eens weten in wat voor nieuws ik terecht was gekomen. Hij zou direct een liveblog laten starten en eisen dat ik erover berichtte, ondanks mijn schorsing.

De woorden ontsnapping en Wittenberg haalden me uit mijn gedachten en mijn vaders handen hielden stil boven Vince’ been.

Daarbij is een medewerker zwaargewond geraakt. Hij zou zijn neergestoken door de ontsnapte gevangene,’ vertelde de nieuwslezer. ‘Of er naast deze man nog meer gevangenen hebben kunnen ontsnappen tijdens de massale vechtpartij is nog niet bekend. Vanwege de sneeuwstorm is nog veel onduidelijk rondom de ongeregeldheden in de Wittenberg. Dan het weer. De hevige sneeuwval die gepaard gaat met een flinke noordoostenwind houdt nog zeker tot middernacht aan,’ vervolgde de nieuwslezer opgewekt.

Met grote ogen keek mijn vader van Vince naar mij. Die hees zich overeind en haalde het mes uit de zak van zijn trui.

Mijn vader stak zijn handen omhoog. ‘Ho, jongen. Dat is nergens voor nodig.’

O god, dit ging helemaal mis. Vince reikte naar mijn pols en trok me naar zich toe.

Ik raakte uit balans raakte en kwam met een gil half op zijn schoot terecht. Hij hapte naar adem toen ik zijn gewonde been raakte, maar herpakte zich snel en klemde zijn arm om mijn nek. Ik voelde het lemmet van het mes tegen mijn wang.

‘Naar achteren,’ beval hij mijn vader, die behoedzaam achteruit schoof tot hij op de rand van de tafel zat.

‘Rustig, jongen. Laten we allemaal rustig blijven en deze situatie verstandig oplossen.’

Mijn hart bonkte in mijn keel. Vince’ arm drukte verstikkend om mijn hals en ik kreeg het benauwd. Als mijn vader hem nu maar niet onnodig kwaad maakte. 

‘Wat doen jullie?’ Bram zwalkte tussen de stoel en de tafel door en stootte bijna een vaas van tafel.

Willem kwam met zijn nekharen overeind naar ons toe en uit zijn keel steeg gegrom op.

‘Hou die hond weg.’

‘Oké, maar dan moet jij mijn dochter loslaten. Het is nergens voor nodig om zo te dreigen. Ik help je, hoe dan ook. Dat is mijn plicht als dokter. Dus haal dat mes weg.’ Hij haakte zijn hand achter Willems halsband en liet hem zitten.

Ik voelde Vince’ borstkas snel op en neer gaan tegen mijn rug. Hij wist natuurlijk net zo goed als wij dat hij geen kant op kon; zodra ik twee stappen bij hem vandaan zou zijn, was zijn mes waardeloos. De druk van zijn arm op mijn keel en de geur van zweet en bloed zorgden ervoor dat mijn maag zich samentrok en ik kokhalsde. Ik sloeg een hand voor mijn mond en probeerde voorover te buigen. De druk op mijn keel nam af, maar voordat ik me van de bank kon laten zakken, prikte mijn hoofdhuid toen hij mijn haar vastgreep. Willem blafte en de punt van het mes prikte in mijn nek.

‘Haal diep adem. Sophie,’ hoorde ik mijn vader zeggen. Tranen brandden in mijn ogen en ik slikte iets scherps in mijn keel weg.

‘Adem in door je neus, uit door je mond. Zo, ja. Nog een keer.’

‘Blijf zitten, dok. Kom niet dichterbij.’

Ineengedoken steunde ik op mijn knieën, me concentrerend op mijn ademhaling. Ik wilde niet kotsen.

‘Sophie, wat doe jij? Ben je ziek?’ De op maat gemaakte schoenen van Bram verschenen in mijn blikveld.

‘Geef Sophie even de ruimte, jongen. Ga daar maar zitten, dan mag je zo tv kijken,’ zei mijn vader.

‘Wanneer gaan we naar huis?’

‘Zo meteen, als deze meneer weg is. Dan krijg je taart en cadeautjes. Maar dan moet je nu eerst nog even gaan zitten.’

‘Okééé.’ De voeten schoven achteruit.

Ik voelde een rukje aan mijn haar. Vince trok me zachtjes overeind. Ik sloot mijn ogen en concentreerde me op mijn ademhaling.

‘Jij blijft hier zitten.’ De greep op mijn haar verslapte, maar ik kreeg niet de kans om me te verplaatsen. ‘En jij, dok, gaat gewoon verder.’

 

4

 

In een waas van tranen voltrok de behandeling vlak onder mijn neus. Met het ingeblikte gelach van het tv-programma met homevideo’s om Bram zoet te houden op de achtergrond maakte mijn vader Vince’ wonden schoon, hechtte die op zijn been en verbond ze. Luisterend naar de wind die om het huis loeide, bracht ik mezelf in een soort trance. In gedachten schreef ik het artikel dat ik zou maken als dit iemand anders was overkomen. Ik somde de feiten op, bedacht vragen die ik kon stellen aan een politiewoordvoerder over het incident, zoals het genoemd zou worden, en confronteerde de leidinggevende van de gevangenis met de blamage van de ontsnapping. Tegen de tijd dat ik verschillende aflopen ging doornemen, zowel goede als slechte, kondigde mijn vader aan dat hij klaar was.

‘Ik zal een broek voor je pakken en je nog iets sterks tegen de pijn geven. Je kunt het dan wel een tijdje uithouden, lang genoeg om hier vandaan te komen, maar als dokter moet ik je adviseren om dat been zoveel mogelijk te ontzien en antibiotica te halen. Ik zal je een recept meegeven.’ Stijf van het op zijn knieën zitten hees mijn vader zich op aan de leuning van de bank. ‘Ik ga nu even mijn handen wassen.’

‘Nee. Ik wil je kunnen zien.’

Mijn vader zuchtte en ik was bang dat hij eigenwijs ging doen. Hij hield er niet van als anderen hem vertelden wat hij moest doen. ‘Je hoeft niets van me te vrezen. Ik wil dat je zo snel mogelijk het huis uit bent. En jou niet dwarszitten lijkt me de beste en snelste manier. Neem mijn auto maar, dat is een automaat, dan hoef je maar één been te gebruiken.’

Gelukkig bleef mijn vader kalm. Vince knikte ten teken dat hij de kamer mocht verlaten. Toen hij terugkwam hielp hij Vince onhandig uit zijn beschadigde broek in een joggingbroek, terwijl Vince me vast bleef houden en hij gaf hem een strip met pijnstillers.

‘Is er een ruimte in huis die op slot kan? Een kast of een kelder?’ vroeg Vince.

Mijn vader en ik keken elkaar aan en ik zag zijn ogen hoopvol oplichten. ‘Ja, een kelder. In de gang. Prima. Wij gaan daarin en jij kunt rustig vetrekken. Prima idee.’

Deze nachtmerrie zou nu snel voorbij zijn, dacht ik terwijl we overeind kwamen. Vince’ arm lag weer om mijn nek, het mes in de aanslag. Nog een paar minuten volhouden, dan zouden we van hem verlost zijn en hadden we een angstig, maar spannend verhaal om te vertellen. Een van de Boomkampjes zou ons uiteindelijk wel naar ons op zoek gaan als we er zelf niet in slaagden om uit de kelder te komen.

‘Neehee!’ riep Bram toen mijn vader hem maande op te staan. ‘Het is nog niet afgelopen.’

‘Je mag straks verder kijken, we moeten nu heel even iets anders doen. Kom, jongen.’ Mijn vader stak zijn hand onder zijn oksel en trok hem omhoog.

‘Neehee!’ Brams toon werd bozer. Hij rukte zich los en ging weer zitten. Als hij echt kwaad werd, viel er geen land met hem te bezeilen. Hij zou niet meegaan zonder dat er iets tegenover stond.

‘Bram, lust je wat lekkers?’ probeerde ik.

Hij lachte toen er op tv een kindje hard van een schommel viel en negeerde me.

‘Als je met ons meegaat krijg je een lekkere koek.’

‘Kom op, mensen, tempo.’ Vince klonk geïrriteerd.

Mijn vader pakte de afstandsbediening en klikte de tv uit.

‘Nee! Het is nog niet afgelopen. Ik wil tv-kijken!’ Brams stemvolume ging flink omhoog en hij stond op om de afstandsbediening van mijn vader af te pakken. Dit liep uit de hand.

‘Je mag straks zoveel tv-kijken als je wilt, nu moet je even luisteren en meewerken,’ zei mijn vader streng. Bram sloeg zijn handen weg toen hij hem vastpakte en zette het op een brullen. Willem maakte de chaos compleet door blaffend om hen heen te springen.

‘Kappen nu, verdomme!’ schreeuwde Vince boven het kabaal uit. Bram keek hem met grote ogen aan. Hij hapte naar adem, maar kreeg geen lucht. Dit gebeurde vaak als hij over zijn toeren raakte als Roel met hem stoeide, of als hij heel boos werd.

‘Ademen, Bram, ademen!’ riep ik.

Mijn vader drukte hem terug in de stoel, liet hem vooroverbuigen en praatte rustig op hem in tot hij weer lucht in zijn longen zoog. Zijn rood aangelopen hoofd kreeg langzaam weer een normalere kleur, terwijl ik Vince een diepe zucht hoorde slaken. Hij steunde op mijn schouder en ik voelde zijn frustratie over deze tergende toestand. Ik vreesde dat zijn geduld opraakte.

‘Kom, dan gaan we in de kelder iets te drinken pakken en krijg je wat lekkers.’

‘Taart?’

‘Dat komt straks, als je weer thuis bent.’

Gedwee liet Bram zich meevoeren. Enigszins opgelucht schuifelde ik erachteraan met Vince.

‘Hier ligt de autosleutel.’ Mijn vader wees naar het tafeltje in de gang, voordat hij Willem en Bram de kelder in leidde. Gelukkig deed Bram niet meer moeilijk en ook Willem hupte rustig de trap af, de koude, vochtige ruimte in.

Ik wilde ze volgen, maar Vince deed een stap terug, zonder me los te laten. Mijn spieren spanden zich en ik keek naar mijn vader die met een verschrikt gezicht bovenaan de trap bleef staan. Ongelovig schudde hij zijn hoofd. ‘Nee,’ fluisterde hij.

Ik kreeg het ineens heel heet. Nee, nee, nee! Het zou nu voorbij zijn, we hadden hem geholpen, hij kon nu alleen verder.

Vince deed nog een stap naar achteren. ‘Doe de deur dicht.’

Toen ik niets deed, gaf hij de deur een zet. Die viel in het slot en gelijk duwde Vince me ertegen. Hij draaide de sleutel om, terwijl mijn vader op de deur bonkte.

‘Laat haar gaan! Laat Sophie gaan!’

Ik voelde tranen opkomen, maar drong ze terug en probeerde me uit zijn greep te wurmen. Dit ging niet gebeuren. Ik had genoeg voor hem gedaan, het was nu klaar.

Mijn wang drukte tegen het hout en ik deed een poging om mijn been op te trekken zodat ik tegen zijn gewonde been kon schoppen. Hij trok me aan mijn haar naar achteren en ineens kwam de deur heel snel dichterbij. Na de klap volgde stilte. Ik knipperde om de vlekjes die voor mijn ogen dansten weg te krijgen. Mijn knieën voelden slap en ik zette mijn handen tegen de deur om overeind te blijven.

‘Sophie?’ hoorde ik mijn vader in de verte zeggen. ‘Wat is er gebeurd? Soof? Zeg wat. Jongens!’

Vince liet me omdraaien. Het liefst had ik me op de grond laten zakken om even flink een potje te janken, maar ik kreeg de kans niet. In zijn samengeknepen ogen zag ik een woede die me duidelijk maakte dat de relatieve vriendelijkheid die hij tot nu toe had laten zien voorbij was.

5 - 10